Hondje Jimmie woont dichtbij de dierentuin en heeft een manier ontdekkt om thuis te ontsnappen als het vrouwtje werken is. Hij gaat door het kattenluik naar buiten en bezoekt de dieren in de dierentuin. Het hoofdstuk de Wallaby's is een van de hoofdstukken uit mijn boek "Jimmie gaat naar de dierentuin, ga je mee?"
Dit verhaal heb ik voorgelezen bij vier kleuterklassen in het kader van de kinderboekenweek (ter plekke wel enigszins ingekort omdat het verhaal eigenlijk bedoeld is voor 7-9 jarigen).
Naast de grappige illustraties in het boek, mocht ik met toestemming van fotografe Johanna Kok de foto van wallaby met jong, gebruiken op scherm, wat de kinderen zeer interessant vonden.
Jimmie heeft even getwijfeld of hij vandaag wel op pad wilde gaan.
Hij vindt het buiten maar koud.
Uiteindelijk heeft hij zijn das gepakt en om zijn nek gedraaid.
Hij heeft ook een muts, waar gaatjes in gemaakt zijn, zodat zijn oren naar buiten kunnen steken.
Nee, besluit hij, die muts zet ik niet op, die kriebelt.
Boe, de wind fluit om zijn snoet wanneer hij zijn kop door het kattenluik naar buiten steekt.
Een, twee, drie! Hup, lopen!
Jimmie loopt hard om warm te blijven en is al snel in de dierentuin.
De moeraswallaby’s gaat hij zoeken.
Ze komen uit Australië, dat bijna aan het andere eind van de wereld ligt.
Ze heten moeraswallaby omdat ze net zo stinken als een moeras.
De wallaby’s wonen in bossen en ook wel in moerasgebieden of in grasgebieden met veel struiken.
Ze eten er gras, boomschors en bladeren.
Daar gaat Jimmie vandaag eens kijken.
Nee, natuurlijk niet in Australië, maar bij de wallaby’s in de dierentuin!
Hij heeft gehoord dat wallaby’s eigenlijk kangoeroes zijn, maar dan iets kleiner.
Na wat rondgelopen te hebben, heeft Jimmie ze gevonden.
Dat ziet er mooi uit, de wallaby’s hebben alle ruimte om te lopen en zelfs een eigen plas met wat water.
Jimmie gaat voor het hek staan en bekijkt alles eens goed.
Wat een prachtige vacht hebben ze, bijna net zo mooi als die van Jimmie.
Mooier kan natuurlijk niet, want Jimmie vindt zelf dat hij de mooiste vacht heeft van alle dieren.
De vacht van de wallaby’s is donkerbruin en lichtbruin, maar er zit ook grijs bij.
Hun grote, puntige oren staan recht overeind.
Jimmie denkt dat ze wel een dikkere vacht hebben dan hij, ze lijken het niet koud te hebben.
Dat is wel anders met Jimmie: hij heeft het koud! Hij bibbert zelfs van de kou.
Had hij nu toch maar die muts meegenomen, die hij over zijn koppie had kunnen trekken.
Hij kijkt eens naar de kop van de wallaby’s.
Eigenlijk hebben ze maar een kleine kop, hun lijf is heel veel groter.
Dat is natuurlijk altijd zo, dat een kop kleiner is, dan het lijf, maar de wallaby heeft wel een erg kleine kop in verhouding tot zijn lijf.
En die staart, moet je die eens zien! Heel stevig en gespierd.
De staart is net zo lang als het lijf, ongeveer vijfenzeventig centimeter.
Die is bijna even lang als Jimmie van de kop tot het puntje van zijn staart.
Wallaby’s hebben kleine voorpoten die voor hun buik hangen als ze zitten.
De achterpoten zijn veel en veel groter.
Hun voeten zijn trouwens ook behoorlijk groot.
Welke schoenmaat zouden ze hebben?
Kijk maar eens goed hoe ze lopen.
Wanneer ze langzaam lopen, zetten ze de voorpootjes op de grond.
Ze steunen op hun staart en huppen vooruit met hun achterpoten.
Als een wallaby hardloopt, houdt hij de voorpootjes weer voor zijn buik en maakt hij heel grote sprongen.
Daarvoor gebruikt hij zijn grote achterpoten, waarmee hij zich afzet.
Jimmie krijgt het steeds kouder, hij begint zelfs te klappertanden.
Hij blaast een paar keer in zijn pootjes, zodat die ook wat warmer worden.
Een beetje jaloers kijkt hij naar een kleine wallaby, waarvan hij het kopje uit de buidel van de moederwallaby ziet komen.
Aan de onderkant van de buik hebben de vrouwtjes een opening waar babywallaby’s in kunnen zitten.
Dat is de buidel. Wallaby’s zijn, net als kangoeroes, buideldieren.
O, die buidel is vast even warm als mijn mandje, denkt Jimmie en hij trilt weer van de kou.
Een van de andere wallaby’s ziet Jimmie beven en roept iets naar hem: ‘Hondje, heb je het koud?
‘Jjjaa-aa,’ antwoordt Jimmie met een bibberende stem.
Ze zwaait met haar kleine voorpoot en roept naar hem: ‘Kom maar even opwarmen bij mij in de buidel, hoor.’
Jimmie kijkt haar verbaasd aan en vraagt of ze hem bedoelt.
‘Ja hoor, kom maar.’
Nou dat laat hij zich geen twee keer zeggen.
Hij klimt over het hek en loopt voorzichtig naar de wallaby toe.
Hij geeft haar beleefd een pootje en zegt dat hij Jimmie heet.
De wallaby buigt iets voorover.
Jimmie kan de opening van de buidel zien en de wallaby geeft hem een zetje, zodat hij de buidel inschuift.
Oh, wat is het hier lekker warm, denkt Jimmie en al snel rilt hij niet meer van de kou.
Het is binnenin wel erg donker en hij kan niks zien.
Uit zijn rugzak haalt hij zijn zaklamp.
Zo kan hij mooi eens kijken in die buidel en hij schijnt in het rond.
Hij ziet vier tepels zitten.
De jonge wallaby kan daar drinken.
Meestal is er één baby, maar heel af en toe is er een tweeling wallaby.
Dan kunnen ze kiezen uit welke tepel ze willen drinken.
Een mens heeft twee tepels.
Een hond heeft wel tien tepels, maar een hond krijgt meestal ook veel puppy’s.
Al die kleine hondjes moeten de tepels met elkaar delen.
Jimmie duwt de buidel een beetje open.
Hij steekt zijn kopje naar buiten en kijkt omhoog, naar de kop van de wallaby.
‘Mag ik u iets vragen?’ roept hij naar boven. ‘Hoe komt de baby in de buidel?’
De wallaby buigt haar kop naar Jimmie toe en vertelt: ‘Als mijn baby geboren wordt, heeft die nog geen vacht en hij is ook blind. Na de geboorte kruipt hij door mijn vacht naar de buidel. Daar blijft hij dan acht of negen maanden zitten. Lekker warm en veilig.’
Jimmie kruipt nog even terug de buidel in en als hij helemaal opgewarmd is, gooit hij zijn rugzakje naar buiten.
Daarna klimt hij zelf uit de buidel en springt op de grond.
Hij bedankt de wallaby dat hij de warme plek heeft mogen gebruiken.
Hij vindt het buiten maar koud.
Uiteindelijk heeft hij zijn das gepakt en om zijn nek gedraaid.
Hij heeft ook een muts, waar gaatjes in gemaakt zijn, zodat zijn oren naar buiten kunnen steken.
Nee, besluit hij, die muts zet ik niet op, die kriebelt.
Boe, de wind fluit om zijn snoet wanneer hij zijn kop door het kattenluik naar buiten steekt.
Een, twee, drie! Hup, lopen!
Jimmie loopt hard om warm te blijven en is al snel in de dierentuin.
De moeraswallaby’s gaat hij zoeken.
Ze komen uit Australië, dat bijna aan het andere eind van de wereld ligt.
Ze heten moeraswallaby omdat ze net zo stinken als een moeras.
De wallaby’s wonen in bossen en ook wel in moerasgebieden of in grasgebieden met veel struiken.
Ze eten er gras, boomschors en bladeren.
Daar gaat Jimmie vandaag eens kijken.
Nee, natuurlijk niet in Australië, maar bij de wallaby’s in de dierentuin!
Hij heeft gehoord dat wallaby’s eigenlijk kangoeroes zijn, maar dan iets kleiner.
Na wat rondgelopen te hebben, heeft Jimmie ze gevonden.
Dat ziet er mooi uit, de wallaby’s hebben alle ruimte om te lopen en zelfs een eigen plas met wat water.
Jimmie gaat voor het hek staan en bekijkt alles eens goed.
Wat een prachtige vacht hebben ze, bijna net zo mooi als die van Jimmie.
Mooier kan natuurlijk niet, want Jimmie vindt zelf dat hij de mooiste vacht heeft van alle dieren.
De vacht van de wallaby’s is donkerbruin en lichtbruin, maar er zit ook grijs bij.
Hun grote, puntige oren staan recht overeind.
Jimmie denkt dat ze wel een dikkere vacht hebben dan hij, ze lijken het niet koud te hebben.
Dat is wel anders met Jimmie: hij heeft het koud! Hij bibbert zelfs van de kou.
Had hij nu toch maar die muts meegenomen, die hij over zijn koppie had kunnen trekken.
Hij kijkt eens naar de kop van de wallaby’s.
Eigenlijk hebben ze maar een kleine kop, hun lijf is heel veel groter.
Dat is natuurlijk altijd zo, dat een kop kleiner is, dan het lijf, maar de wallaby heeft wel een erg kleine kop in verhouding tot zijn lijf.
En die staart, moet je die eens zien! Heel stevig en gespierd.
De staart is net zo lang als het lijf, ongeveer vijfenzeventig centimeter.
Die is bijna even lang als Jimmie van de kop tot het puntje van zijn staart.
Wallaby’s hebben kleine voorpoten die voor hun buik hangen als ze zitten.
De achterpoten zijn veel en veel groter.
Hun voeten zijn trouwens ook behoorlijk groot.
Welke schoenmaat zouden ze hebben?
Kijk maar eens goed hoe ze lopen.
Wanneer ze langzaam lopen, zetten ze de voorpootjes op de grond.
Ze steunen op hun staart en huppen vooruit met hun achterpoten.
Als een wallaby hardloopt, houdt hij de voorpootjes weer voor zijn buik en maakt hij heel grote sprongen.
Daarvoor gebruikt hij zijn grote achterpoten, waarmee hij zich afzet.
Jimmie krijgt het steeds kouder, hij begint zelfs te klappertanden.
Hij blaast een paar keer in zijn pootjes, zodat die ook wat warmer worden.
Een beetje jaloers kijkt hij naar een kleine wallaby, waarvan hij het kopje uit de buidel van de moederwallaby ziet komen.
Aan de onderkant van de buik hebben de vrouwtjes een opening waar babywallaby’s in kunnen zitten.
Dat is de buidel. Wallaby’s zijn, net als kangoeroes, buideldieren.
O, die buidel is vast even warm als mijn mandje, denkt Jimmie en hij trilt weer van de kou.
Een van de andere wallaby’s ziet Jimmie beven en roept iets naar hem: ‘Hondje, heb je het koud?
‘Jjjaa-aa,’ antwoordt Jimmie met een bibberende stem.
Ze zwaait met haar kleine voorpoot en roept naar hem: ‘Kom maar even opwarmen bij mij in de buidel, hoor.’
Jimmie kijkt haar verbaasd aan en vraagt of ze hem bedoelt.
‘Ja hoor, kom maar.’
Nou dat laat hij zich geen twee keer zeggen.
Hij klimt over het hek en loopt voorzichtig naar de wallaby toe.
Hij geeft haar beleefd een pootje en zegt dat hij Jimmie heet.
De wallaby buigt iets voorover.
Jimmie kan de opening van de buidel zien en de wallaby geeft hem een zetje, zodat hij de buidel inschuift.
Oh, wat is het hier lekker warm, denkt Jimmie en al snel rilt hij niet meer van de kou.
Het is binnenin wel erg donker en hij kan niks zien.
Uit zijn rugzak haalt hij zijn zaklamp.
Zo kan hij mooi eens kijken in die buidel en hij schijnt in het rond.
Hij ziet vier tepels zitten.
De jonge wallaby kan daar drinken.
Meestal is er één baby, maar heel af en toe is er een tweeling wallaby.
Dan kunnen ze kiezen uit welke tepel ze willen drinken.
Een mens heeft twee tepels.
Een hond heeft wel tien tepels, maar een hond krijgt meestal ook veel puppy’s.
Al die kleine hondjes moeten de tepels met elkaar delen.
Jimmie duwt de buidel een beetje open.
Hij steekt zijn kopje naar buiten en kijkt omhoog, naar de kop van de wallaby.
‘Mag ik u iets vragen?’ roept hij naar boven. ‘Hoe komt de baby in de buidel?’
De wallaby buigt haar kop naar Jimmie toe en vertelt: ‘Als mijn baby geboren wordt, heeft die nog geen vacht en hij is ook blind. Na de geboorte kruipt hij door mijn vacht naar de buidel. Daar blijft hij dan acht of negen maanden zitten. Lekker warm en veilig.’
Jimmie kruipt nog even terug de buidel in en als hij helemaal opgewarmd is, gooit hij zijn rugzakje naar buiten.
Daarna klimt hij zelf uit de buidel en springt op de grond.
Hij bedankt de wallaby dat hij de warme plek heeft mogen gebruiken.
‘Graag
gedaan, hoor,’ zegt de wallaby. ‘Als je het weer eens koud hebt, dan vraag maar
gerust of een van ons nog een plekje vrij heeft in de buidel, zodat je weer op
kunt warmen.’
Jimmie
bindt zijn rugzakje om en kijkt nog een laatste keer rond. Het
enige wat hij nu niet weet, is wat wallaby’s eten en hij vraagt het nog even.
‘We worden hier goed verzorgd,’ antwoordt de wallaby. We krijgen één keer per dag eten van de verzorgers: speciale takken, hooi en kangoeroebrokken.
Ach
ja, eigenlijk net zoals Jimmie, die krijgt ook brokjes in zijn bak. Alleen
al door het denken aan zijn brokjes, krijgt Jimmie honger.
Hij
kwispelt nog een keer naar de wallaby en loopt vlug naar huis.
