Mijn
hoogtevrees speelt op en zweetdruppels parelen langs mijn gezicht. Hoe heb ik
in godsnaam zo dom kunnen zijn om te denken dat ik hiermee mijn naam kon
vestigen?
De eerste
opdracht was geweldig en was me op het lijf geschreven: als living statue in
een setting die de Japanse brug van Monet moest voorstellen. De achtergrond in
de terrastuin van het kasteel was net zo sfeervol en kleurrijk als op het
schilderij. De geelgroene treurwilgen contrasteerden met de uiteenlopende
kleuren groen van overige begroeiing. De donkergekleurde, blauwgroene
overgangen tussen de bomen leken op een ingang naar een achterliggend bos. Gefilterde
zon legde een romantisch waas over deze achtergrond en weerkaatste in het water
van de vijver. Drijvende leliebladeren ondersteunden de vele tinten wit en roze
van de waterlelies. Ik stond op de boogbrug boven deze vijver.
Slechts gestoord door een enkele bezoeker die probeerde mij af te leiden van mijn opdracht: “Blijven staan als een vrouw, die gevangen lijkt in haar overpeinzingen, haar hand lichtjes rustend op de leuning van de brug.”
Het nauw aansluitende lijf van mijn jurk waaierde uit in een overvloed aan stof van de enkellange rok. Het satijn streelde mijn benen. Onder de schaduw van de parasol bleef mijn gezicht mysterieus verscholen.
De
regisseur was enthousiast en, zoals Ricky me beloofd had, mocht ik de volgende
opdracht uitvoeren om mijn geschiktheid voor het reclamebureau te bewijzen.
Maar nu kan ik mezelf wel voor mijn kop slaan. Zelfs dát zal niet lukken, want mijn handen zijn vastgebonden aan de stoel en ik bungel aan een touw.
Was ik maar niet zo overtuigd geweest van mijn gedachte, dat Ricky kost wat kost míj wilde hebben. Nog zie ik me staan voor het reclamebord met de advertentie waarin ene Ricky aangeeft op zoek te zijn naar de vrouw in rode jas, die hij had gezien op een terras, terwijl ze een boek in de hand hield. Ricky, de man achter de reclames! Hij moest mij hebben, dat wist ik meteen, want ineens realiseerde ik me dat de starende ogen die ik op dat terras ontmoette, de zijne moeten zijn geweest. Ik rukte de advertentie van het bord en belde hem. De volgende dag ondertekende ik het contract.
De kramp
in mijn handen wordt bijna onhoudbaar, mijn benen voelen loodzwaar aan en de
hitte van de lampen boven me prikt venijnig door de knalrode kleding. Ik tel de
tijd af op de grote klok tegenover me. Nog 10 seconden!
Een applaus valt me ten deel als ik met beide voeten op de grond sta en mijn handen weer vrij kan bewegen. Met mijn naar de grond gebogen gezicht, zo mogelijk nog roder dan mijn kleding, baan ik me een weg door de mensenmassa.
‘Succes,’ fluister ik het volgende slachtoffer toe, die nu aan de beurt is om omhoog gehesen te worden en te fungeren als een bungelende kerstvrouw.
In de stoel van de arrenslee, die hoog boven de mensenmassa in de nok van het tuincentrum zweeft, zit zij nu vastgebonden. Het tuincentrum neemt geen enkel risico dat ze eruit kan vallen. Haar jurk van rood vilt is afgezet met een witte bontrand en de kerstmuts van dezelfde stof met witte pompon hangt over haar blonde lokken. De fonkelende lichtbollen geven het geheel een sprookjesachtige aanblik, maar ik weet als geen ander dat dit vijftien eeuwigdurende minuten zullen worden, waarin ook zij doodsangsten uit zal staan en geen enkele mogelijkheid heeft van houding te veranderen.
Slechts gestoord door een enkele bezoeker die probeerde mij af te leiden van mijn opdracht: “Blijven staan als een vrouw, die gevangen lijkt in haar overpeinzingen, haar hand lichtjes rustend op de leuning van de brug.”
Het nauw aansluitende lijf van mijn jurk waaierde uit in een overvloed aan stof van de enkellange rok. Het satijn streelde mijn benen. Onder de schaduw van de parasol bleef mijn gezicht mysterieus verscholen.
Maar nu kan ik mezelf wel voor mijn kop slaan. Zelfs dát zal niet lukken, want mijn handen zijn vastgebonden aan de stoel en ik bungel aan een touw.
Was ik maar niet zo overtuigd geweest van mijn gedachte, dat Ricky kost wat kost míj wilde hebben. Nog zie ik me staan voor het reclamebord met de advertentie waarin ene Ricky aangeeft op zoek te zijn naar de vrouw in rode jas, die hij had gezien op een terras, terwijl ze een boek in de hand hield. Ricky, de man achter de reclames! Hij moest mij hebben, dat wist ik meteen, want ineens realiseerde ik me dat de starende ogen die ik op dat terras ontmoette, de zijne moeten zijn geweest. Ik rukte de advertentie van het bord en belde hem. De volgende dag ondertekende ik het contract.
Een applaus valt me ten deel als ik met beide voeten op de grond sta en mijn handen weer vrij kan bewegen. Met mijn naar de grond gebogen gezicht, zo mogelijk nog roder dan mijn kleding, baan ik me een weg door de mensenmassa.
‘Succes,’ fluister ik het volgende slachtoffer toe, die nu aan de beurt is om omhoog gehesen te worden en te fungeren als een bungelende kerstvrouw.
In de stoel van de arrenslee, die hoog boven de mensenmassa in de nok van het tuincentrum zweeft, zit zij nu vastgebonden. Het tuincentrum neemt geen enkel risico dat ze eruit kan vallen. Haar jurk van rood vilt is afgezet met een witte bontrand en de kerstmuts van dezelfde stof met witte pompon hangt over haar blonde lokken. De fonkelende lichtbollen geven het geheel een sprookjesachtige aanblik, maar ik weet als geen ander dat dit vijftien eeuwigdurende minuten zullen worden, waarin ook zij doodsangsten uit zal staan en geen enkele mogelijkheid heeft van houding te veranderen.
©Vera Oor, 2024