Een geschiedenis over geschiedenis


Deze geschiedenis begint in 1972, het moment dat ik als brugpieper mijn opwachting maakte bij de school. Vol ontzag keek ik naar alle ouderejaars. Wat waren die al groot! Het jaar ervoor was ik zelf nog een van de langsten op het speelplein als zesdeklasser, maar nu was ik een van de kleineren. Op een enkeling na kende ik geen van de andere kinderen en vanaf nu niet één docent voor alle vakken, maar allemaal verschillende.
En daar was tie: de geschiedenisleraar, een kleine, zeer beweeglijke man. In zijn lessen kwam het verleden tot leven. Hij stond, liep, rende voor en door de klas om het verleden een gezicht te geven. Zijn felle, donkere ogen achter de zwart omrande bril hadden alles in de gaten en hij hield je bij de les. Elke dag kwam hij op zijn fiets aanrijden, meestal met een enorme snelheid, want dan kwam hij van een andere locatie, waar hij het voorgaande lesuur voor de klas had gestaan.
Mijnheer H. was nog maar net afgestudeerd en wij waren een van zijn eerste eigen klassen. Zijn bevlogenheid met geschiedenis straalde van hem af. Dat deel bereikte mij minder. Nog steeds weet ik te weinig van geschiedenis vind ik zelf. Geschiedenis zat dan ook niet in mijn keuzepakket, dus mijnheer H. verdween uit beeld, maar in het laatste jaar was hij volgens mij wel klassedocent voor onze klas. Dat betekende ook dat hij de diploma’s uit mocht reiken. En daar zat ik, Veertje noemde hij mij, tegenover hem, aan de kleine tafel, met tussen ons in het felbegeerde diploma waar hij en ik onze handtekening moesten zetten. Ik was toen 17 jaar.
 
Een aantal jaren geleden kreeg ik een bericht op Messenger van ene Theo H. Er ging niet meteen een belletje rinkelen en eigenlijk wilde ik het bericht verwijderen. Gelukkig heb ik dat niet gedaan en het bericht gelezen. Ja, natuurlijk. Nu wist ik het weer: Mijnheer H. O ja, die heette Theo, maar dat zeiden wij natuurlijk nooit tegen de leraar.
En mijnheer H. zou zichzelf geen geschiedenisleraar noemen als hij niet ook alle agenda’s, namenlijsten en foto’s uit zijn loopbaan had bewaard. Met de namenlijst van de eerstejaars van 1972 in zijn hand, was hij op onderzoek uitgegaan op Facebook. Daar kwam hij mij tegen. Hij stelde voor om eens een lunchafspraak te maken. En die maakten we in het café tegenover de school waar ik menig spijbeluur door heb gebracht, totdat ook de conrector daar zijn koffie kwam drinken en ik het wel liet om daarheen te gaan.
Theo en ik hadden geen witte anjer in ons knoopsgat nodig om elkaar te herkennen. Daar bestond geen twijfel over, dat was hem. Al een flink stuk ouder (ik natuurlijk ook), maar zonder aan energie ingeboet te hebben. Ik heb zelden zo gelachen als tijdens die lunch, die geloof ik wel vier uur duurde. Hij was ook toen op zijn fiets gekomen, stuiterde van links naar rechts door het restaurant om voor te doen hoe hij thuis of in het supportersvak de wedstrijden van Feyenoord en NEC volgde. De Chinese eigenaren van het café hadden geen vertaler nodig om te weten dat het over voetbal ging.
Mijnheer H. lijkt wel een beetje op mister Bean, die ook geen gebrek aan energie heeft. Gisteren had ik weer de lunchafspraak met Theo H., inmiddels 80 jaar. Nee, dat hoefde niet bij hem in zijn dorp, hij kwam wel mijn kant op. Op de fiets, zonder ondersteuning. Precies 40 minuten reed hij erover.
‘Och, dat is niks. Ik fiets ook naar Arnhem, dan ben ik twee uur onderweg.’
Aan spraakwater heeft hij absoluut geen behoefte, de tijd vloog weer om en als verrassing kreeg ik van hem een boek over Market Garden (rondom Nijmegen). Hij weet dat ik me momenteel verdiep in de oorlogstijd van Nijmegen en daar veel over schrijf. En ik ben nog niet eens jarig!
‘Tot volgend jaar!’

©Vera Oor, 2024

 


Beschermend blad

Waarom zou ik langer blijven liggen. Eruit! Vannacht heb ik de ramen wagenwijd open gehouden en de heldere zomerochtendlucht drijft de kamer...