Een opgeruimd huis is een opgeruimd hoofd. Ik kan me wel vinden in deze uitdrukking maar het lijkt momenteel of iederéén aan het opruimen is geslagen. Is het in al die hoofden dan zo’n chaos? Het heeft er weleens wat van weg, als ik zie en hoor hoe mensen aan de slag gaan met opruimen. Ongetwijfeld zal het iets te maken hebben met de leeftijd van mij en de mensen om mij heen, maar het valt me op.
Opmerkingen als: “Ik moet echt gaan opruimen”; “Eindelijk die zolder aanpakken”; “Er staan nog ongeopende dozen van de verhuizing”; “Alles weg”.
Een schrikbeeld dat voor hun geestesoog opdoemt: De kinderen die tussen alle spullen zitten. “Dat wil ik ze niet aandoen”. En vragen die ze zichzelf stellen, zoals: “Voor mij heeft het waarde, maar wie wil dit hebben als ik dood ben?”
Opruimen kost tijd, energie en emotie. Herinneringen glijden door je vingers, laten je een deel van je leven opnieuw beleven. Voor je het weet, zit je dagen later tussen dezelfde dozen en herinneringen, alleen anders gesorteerd. Afscheid nemen blijft lastig. Spullen waarvan je niet eens meer wist dat je ze had, maar die nu opeens bruikbaar lijken. Bewaren of wegdoen?
De rit met het overtollige spul naar de kringloop of de
stort. Hoe grondig je ook opruimt, vroeg of laat zul je jezelf betrappen op die
ene gedachte: O ja… dat had ik ook. Nu zou het van pas komen. Maar helaas, het
is weg.
