Echt op vakantie gaan, dat kwam pas toen ik al een jaar of zes was denk ik. Vóór die tijd bestond een vakantie meestal uit dagtochtjes naar het water. In mijn herinnering was het ook altijd mooi weer in de schoolvakanties. En dat water opzoeken gebeurde in de ruime omgeving.
Het Maas-Waalkanaal,
aan de rand van Nijmegen. Op het gras langs de waterkant werd een kleed of handdoek
uitgespreid waarop we met meegebrachte ranja naar de boten keken en zo nu en
dan langs de waterkant de voeten natmaakten. Echt zwemmen was er niet bij,
daarvoor was de overgang naar het diepe deel te groot en durfden we het zelfs
niet eens aan om zonder ‘handje vast’ het water in te lopen. Hoe oud zal ik
geweest zijn? Hooguit een jaar of zes denk ik, mijn broertje een jaar jonger. Mijn vader
en moeder gingen een stukje zwemmen en drukten ons op het hart om te blijven
zitten totdat zij weer terug zouden zijn. Mijn moeder liep in badpak en met een
charmante witte rubberachtige badmuts het water in, gevolgd door mijn vader. Ik
zie nog voor me hoe hij het water inliep: de schouders hoog opgetrokken bij de
eerste stap in het koude water. Dat was ff wennen.
“O nee.”
Allebei
maakten ze eerst de handen nat. Dat werd ons ook aangeleerd, om op die manier
langzaam aan de watertemperatuur te wennen. Daarna spetterden ze water over hun
armen en benen en deden een stapje verder om vervolgens het water in te
glijden. Die stapjes hadden wel iets weg van de loopjes van John Cleese,
ministry of silly walks. Met hun gezichten
onze kant op gericht om ons goed in de gaten te houden, zwommen ze een klein
stukje verder.
Mijn
broertje en ik verstijfden ter plekke toen we een groot zwart vrachtschip aan
zagen komen.Papa en
mama zouden onder de boot komen. “Ze gaan dood!”Het schip
kwam langzaam dichterbij en in een keer zagen we door de golfslag de hoofden
niet meer.Krijsen
dat we gedaan hebben, en huilen! Het was dikke paniek. Reagerend op al het
gekrijs gingen in een keer twee handen de lucht in. Náást de boot en niet ónder
de boot. Ze zwaaiden naar ons en riepen ook iets, wat we niet konden verstaan
op die afstand. Ze leefden
nog! Zo snel
als mogelijk zwommen ze terug naar de kant. In onze ogen een oneindig stuk
zwemmen, terwijl ze hooguit enkele meters van de kant verwijderd waren.
Eldorado,
een kilometer of tien van ons huis vandaan. Kleine strandjes tussen bebossing
en een grote watervlakte waarbij je de overkant nog net kon zien. Geen dure
jachten, geen overdosis aan zeilschepen, surfen bestond nog niet. Niks geen
standjes met ijs, frites of andere lekkernijen. Gewoon zand, plastic emmertjes
en schepjes, zwembandjes en flodderen in het water en het zand. Hoeveel mooier
wil je het hebben!
De rode voetpomp die na het erop trappen uitzag als een accordeon werd uit de auto gehaald en het dunne rubberen slangetje werd aangesloten op een meerdere keren dichtgevouwen stuk blauw plastic. Plastic openvouwen en pompen maar. Wij waagden ook zo nu en dan een poging, maar de vorm van een boot was nog niet zichtbaar. Het plastic bleef lang plat. Dat betekende dat mijn vader zijn energie ging steken in het oppompen. De pomp zuchtte hoorbaar zodra de voet eraf gehaald werd en mijn vader zuchtte op een gegeven moment niet minder. Maar daar was hij dan eindelijk: de blauwe boot “Barracuda” met witte peddels en die werd aan de rand van het meer in het water gelegd. Wij mochten erin stappen en mijn vader of moeder paste er nog net bij in. Alle twee erbij lukte niet, daarvoor was de boot toch echt te klein. Daar gingen we: het water op! Peddelen alsof ons leven ervan afhing totdat we een flink eind van de kant waren. Mijn vader genoot misschien nog meer dan wij als kinderen. Die zag zichzelf weer in een prauw in Indië over de kali varen tijdens zijn verplichte diensttijd.
De rode voetpomp die na het erop trappen uitzag als een accordeon werd uit de auto gehaald en het dunne rubberen slangetje werd aangesloten op een meerdere keren dichtgevouwen stuk blauw plastic. Plastic openvouwen en pompen maar. Wij waagden ook zo nu en dan een poging, maar de vorm van een boot was nog niet zichtbaar. Het plastic bleef lang plat. Dat betekende dat mijn vader zijn energie ging steken in het oppompen. De pomp zuchtte hoorbaar zodra de voet eraf gehaald werd en mijn vader zuchtte op een gegeven moment niet minder. Maar daar was hij dan eindelijk: de blauwe boot “Barracuda” met witte peddels en die werd aan de rand van het meer in het water gelegd. Wij mochten erin stappen en mijn vader of moeder paste er nog net bij in. Alle twee erbij lukte niet, daarvoor was de boot toch echt te klein. Daar gingen we: het water op! Peddelen alsof ons leven ervan afhing totdat we een flink eind van de kant waren. Mijn vader genoot misschien nog meer dan wij als kinderen. Die zag zichzelf weer in een prauw in Indië over de kali varen tijdens zijn verplichte diensttijd.
Wat gebeurde er, en we gingen wel vaker dus we wisten hoe het er aan toe zou gaan: mijn vader zette mijn moeder en mijn twee broertjes en mij af op een plekje in de stad, waar het water makkelijk bereikbaar was. Hijzelf reed verder naar de botenverhuurder, huurde de roeiboot en peddelde richting stad. Op de afgesproken plek stapten wij er bij in. Zo, dat waren mooi uitgespaarde kosten moet hij gedacht hebben. Tassen met broodjes en limonade gingen mee in de boot, we bleven echt geruime tijd op het water, dwars door het groen met de toren van Kleef als ijkpunt
