HERRIE OP DE KINDERBOERDERIJ

 

Een kleuterklas in het speelkwartier is er niks bij. Uit de vogelwei bij de kinderboerderij klinkt een enorme herrie. De kippen kakelen, de haan kukelt en de kalkoen klokt. Iets hogerop in een boom zit een pauw die zich ook van zijn beste kant laat horen als hij begint te schreeuwen tijdens het poetsen van zijn staartveren.

Het is na sluitingstijd en de dieren op de kinderboerderij worden gevoerd. Eerst zijn natuurlijk de hertjes en de konijnen aan de beurt. Daar zijn de verzorgers snel klaar mee, want door de dag heen krijgen die dieren al aardig wat te eten. Kinderen kunnen de verleiding niet weerstaan om, ondanks het voederverbod, toch stukjes brood toe te stoppen. Ouders doen net of hun neus bloedt en kijken even de andere kant op of maken een foto die straks wel op Facebook zal staan. De hangbuikzwijntjes komen ook niks te kort.

Maar de vogels zijn niet zo in trek. Hun aaibaarheidsgehalte, zoals het genoemd wordt, is vele malen minder dan bij de zoogdieren. Zij krijgen daarom van de verzorgers ruim voldoende in hun voederbakken. En toch breekt dan de hel los. Ze verdringen elkaar om zoveel mogelijk in korte tijd naar binnen te kunnen werken. De kippen zijn er natuurlijk als de kippen bij, maar worden verdrongen door de opschepperige haan, die zijn gezag laat gelden en de kippen aan de kant duwt. De pauw daalt in alle waardigheid neer en pikt over de hoofden van haan en kippen de nodige graantjes mee. Hij moet een beetje op de lijn letten. Als hij te dik wordt, verliest hij conditie en gaat hij lijken op de kalkoen. Dat wil je toch niet als pauw zijnde. Daar is hij te trots voor. De kalkoen wacht rustig af tot iedereen wat gekalmeerd is en loopt dan naar de voederbak. Zij maakt zich niet zo druk, er is altijd meer dan voldoende.
Statig loopt ze naar het eten en bij elke stap wiebelen de kinlellen ritmisch heen en weer. Als je haar goed bekijkt heeft is het verenpak, verspreid over het lijf, zeker het aanzien waard en heeft mooie kleuren. Helaas zorgt de  eigenaardige kop ervoor dat de aandacht afgeleid wordt en de kalkoen het predicaat ‘lelijk' krijgt.

De haan verspert de weg en roept haar toe: “ff wachten jij, lillikerd!”
“Pardon?”, is het nuffige antwoord van de kalkoen.
“Je ken toch sien da’k nog nie kloar bin”.
“Mijnheer haan, ik wens niet aangesproken te worden met je, maar met u. Er is meer dan genoeg voer, dus ik schuif aan. En ik pretendeer niet een schoonheid te zijn, maar een lillikerd ben ik niet.”
“Ze het ook nog kapsones da mins. Jij met je onderkinnen en koale kop en lange lel an je neus!”
“Oh, gaan we zo beginnen”, antwoord de kalkoen en verheft haar stem enigszins.
“Niemand hier mot jou”, komt het vijandige antwoord van de haan.
“Ik zal u voor eens en altijd uitleggen hoe de vork hier in de vogelwei aan de steel zit. De kippen voelen zich geïmponeerd door uw gedrag en voor het geval u denkt, dat zij onderdanig zijn, dan zal ik u uit de droom helpen. Zij doen alsof en zodra u zich omdraait wordt u hartelijk uitgekakeld.”

De pauw, iets verderop, houdt zijn lachen in. Hij vindt het wel mooi dat de haan eens aangepakt wordt, dat vervelende ordinaire manneke. En inderdaad, nu hij de kalkoen eens wat beter bekijkt, kan hij niet anders dan haar gelijk geven: ze heeft inderdaad prachtige kleuren al is het van een andere schoonheid dan zijn eigen blauwe verentooi, waar natuurlijk niemand tegenop kan. Het haantje haalt diep adem en wil zijn volgende betoog beginnen, maar de kalkoen is hem voor.
“U kunt er prat op gaan een haantje te zijn, maar als het erop aan komt hebben de mensen aan mij toch meer dan aan u. Kijk alleen eens naar mijn gewicht: ik heb veel meer vlees op de botten en om die reden bewaren ze mij voor de feestdagen. Mijn vlees is net even iets malser dan uw soort.”
“Je siet tog bij de barbekjoe da er altied een hoantje op lig. Ze sien gek op me. Ik he nog nimmer un kalkoen op het rooster sien ligge.”
“Geloof vooral uw eigen woorden”, antwoord de kalkoen. “U bent al te oud om ooit op de barbecue, en geen barbekjoe, te eindigen. Daar gebruiken ze alleen jonge haantjes voor. Het is ook nog eens zo, dat er nooit een hele haan op komt te liggen, maar halve hanen, pootjes of vleugels. De mensen trekken met hun tanden het vlees van de botten, een uiting van minachting.”
Moarmoar…”, wil de haan beginnen aan zijn antwoord.

“Niks te maren. Let u op mijn woorden. Als u hier eind van het jaar nog rondloopt ziet u hoe er met mij met het nodige respect wordt omgegaan. Ik word een kostbaar stuk vlees, dat met de nodige égards wordt behandeld. Men vult mij met de meest heerlijke groenten, bessen en bouillon. Ik kom niet op een rooster te liggen, zoals u, maar op een braadslee, die ze in een warme oven schuiven. Ik kook heerlijk in mijn eigen vet gaar”.
“Uiteindelijk wor je ok gewoon uut elkoar getrokke”.
“Nee, ik word opgediend! Om mijn poten krijg ik een mooie versiering en om mijn hele lijf liggen allerlei heerlijkheden. Zodra men mij naar de eettafel brengt, zijn de oh’s en ah’s niet van de lucht. In stukjes gesnéden, en niet getrókken, kom ik op ieders bord terecht, waar ik keurig met mes en vork wordt behandeld, zoals het een kalkoen toekomt.”
De kippen slaan allemaal hun vleugel voor de snavel. Eindelijk krijgt die mannetjesputter eens op zijn kam. De pauw spreidt zijn veren en steekt de duim van zijn rechterpoot op naar de kalkoen, die met een nauwelijks zichtbaar knikje, haar neuslel opzij duwend, verder pikt in het voer.
De haan kraait geen victorie en verdwijnt naar de andere kant van het weitje.

Beschermend blad

Waarom zou ik langer blijven liggen. Eruit! Vannacht heb ik de ramen wagenwijd open gehouden en de heldere zomerochtendlucht drijft de kamer...