Ik ben
verdwaald in een troosteloos gebied waar kleuren en geuren ver te zoeken zijn.
Heel soms zie ik een lichtpuntje waaraan ik me probeer vast te grijpen, maar het
is (nog) niet genoeg om staande te blijven.
Een massief,
grijs rotsblok lijkt op het schild van een schildpad, met twee uitstekende
voorpoten. Echter, de kop is eraf gehakt alsof het blok door brute kracht
gespleten is. Als ik naar boven kijk, zie ik een fletsblauwe lucht en een in de
rotsen uitgehouwen trap waarlangs misschien ooit, lang geleden, een waterstroom
als een waterval naar beneden is gekletterd. Wanneer ik me afdraai van de
lucht, zie ik niks dan grijs en een trap die naar een diepte loopt, een diepte
zonder eind in zicht. De trap oplopen durf ik niet omdat ik bang ben dat aan de
andere zijde van de grijze heuvel een nog groter, uitgestrekt onherbergzaam
landschap zal opdoemen.
Ik heb het idee
dat ik hier al dagen ronddwaal, zonder dat het uitzicht veranderd en er hoop op
ontsnapping is. Er is zelfs geen sprietje gras te vinden waar ik een druppel
vocht uit zou kunnen persen. Mijn lippen zijn gebarsten en mijn tong en
gehemelte voelen aan als schuurpapier. Geen zuchtje wind brengt verkoeling. De
omgeving is doodstil.
De hoop op troost van mijn medepassagiers is vervlogen. Verderop ligt het geraamte van het neergestorte vliegtuig. De vleugels zijn geknakt, de ramen in de cockpit gebarsten en rondom liggen brokstukken die inmiddels bedekt zijn met een dikke laag, grijs gruis. Nog enkele dagen en het wrak zal niet meer zichtbaar zijn, volledig geïntegreerd in de omgeving.Ik voel het laatste beetje hoop en moed uit me wegvloeien en laat me neervallen op de harde bodem. Mijn armen wijd uitgestrekt en mijn benen langgerekt, zodat het vanuit de lucht zal lijken of er een levensgroot kruis op de aarde ligt. Mijn rode jas en gele reddingsvest steken nog enigszins af en zijn op deze manier misschien zichtbaar vanuit de lucht?
De hoop op troost van mijn medepassagiers is vervlogen. Verderop ligt het geraamte van het neergestorte vliegtuig. De vleugels zijn geknakt, de ramen in de cockpit gebarsten en rondom liggen brokstukken die inmiddels bedekt zijn met een dikke laag, grijs gruis. Nog enkele dagen en het wrak zal niet meer zichtbaar zijn, volledig geïntegreerd in de omgeving.Ik voel het laatste beetje hoop en moed uit me wegvloeien en laat me neervallen op de harde bodem. Mijn armen wijd uitgestrekt en mijn benen langgerekt, zodat het vanuit de lucht zal lijken of er een levensgroot kruis op de aarde ligt. Mijn rode jas en gele reddingsvest steken nog enigszins af en zijn op deze manier misschien zichtbaar vanuit de lucht?
Ik verdwijn in
een illusie van een groene, frisse omgeving waarin de dauw nog op het gras
ligt. Dauwdruppels die ik oplik en die mijn gehavende tong strelen. De heldere
fluittonen van vogels bereiken mijn oren en naast me loopt een hond, waarvan ik
de vacht langs mijn been voel strijken. Zijn gehijg volgt mijn stappen. Zijn
ruwe tong likt mijn hand. Een schaduw valt over me heen en ik kijk omhoog naar
de lucht, waar het blauw is verdreven door oranje en waar de witte
schapenwolkjes plaats hebben gemaakt voor een afgeronde, gladde bol. De vogels
zijn stil en langzaam dringt een stem tot me door.
‘Mevrouw, mevrouw, hoort u mij?’
Langzaam open ik mijn ogen en zie de bezorgde blik boven mijn hoofd. De hijgende hond die zojuist nog naast me liep, staat naast mijn gezicht.
Ik voel dat mijn hoofd aan de achterkant iets opgetild en ondersteund wordt en ik proef…water!
Gulzig lik ik de druppel van mijn lip en open mijn mond voor meer. Ik wil iets zeggen, maar ik breng slechts een schrapend geluid voort.
Ik probeer te ontdekken waar de wind en het geluid vandaan komen. Geleidelijk aan word ik me meer bewust van mijn omgeving en zie ik de draaiende wieken van een helikopter. Om me heen lopen mensen in oranje pakken met een helm op. Langzaam dringt het door: ik ben gered!
‘Mevrouw, mevrouw, hoort u mij?’
Langzaam open ik mijn ogen en zie de bezorgde blik boven mijn hoofd. De hijgende hond die zojuist nog naast me liep, staat naast mijn gezicht.
Ik voel dat mijn hoofd aan de achterkant iets opgetild en ondersteund wordt en ik proef…water!
Gulzig lik ik de druppel van mijn lip en open mijn mond voor meer. Ik wil iets zeggen, maar ik breng slechts een schrapend geluid voort.
Ik probeer te ontdekken waar de wind en het geluid vandaan komen. Geleidelijk aan word ik me meer bewust van mijn omgeving en zie ik de draaiende wieken van een helikopter. Om me heen lopen mensen in oranje pakken met een helm op. Langzaam dringt het door: ik ben gered!
©Vera Oor, 2025