Hij heeft een propvolle mand bij zich

 

Door het geopende raam kruipt de vroege, koele ochtendlucht mijn slaapkamer binnen. Een natuurlijke wekker van vogelgeluiden heeft me wakker gemaakt. Ik rek me uit en blijf met gesloten ogen en mijn armen gevouwen achter mijn hoofd liggen soezen. Vier uur, het begint al een beetje licht te worden. In de zomer het mooiste moment om de omgeving op me in te laten werken en geleidelijk aan opnieuw in slaap te vallen.
Pats! Mis! Pats! Mis! Nu ben ik het zat. Ik wil opstaan om achter die irritante mug aan te gaan. Voordat ik een been het bed uit kan zetten, is hij er weer. Op mijn wang. Yes, nu heb ik je. Pats!
‘Au,’ hoor ik heel zacht.
Wat is dit nu weer? Pratende muggen bestaan niet, dus heb ik ook nog een insluiper in mijn slaapkamer? Ik zal hem!
 
Ik wrijf het slaapzand uit mijn ogen omdat ik die ogen op dit moment niet vertrouw. Zit er notabene een of ander figuur op mijn nachtkastje. Hij heeft een lange, witte baard en een enorme puntmuts.
Meteen weet ik wie hij is. Ik heb hem vaak op plaatjes gezien: Klaas Vaak.
‘Wat doe jij hier?’ vraag ik verbaasd.
Uit zijn antwoord maak ik op, dat hij in een niet al te best humeur is. ‘Wat denk je zelf, slimmerik?’
‘Slaapzand strooien?’ stel ik mijn snuggere tegenvraag.
‘Ja, natuurlijk. Ik moet zorgen, dat je in slaap blijft, maar jij vond het zo nodig om mij een optater te verkopen.’
‘Sorry daarvoor,’ zeg ik. Ik dacht dat ik een mug wegsloeg. ‘Maar even iets anders. Jij zorgt ervoor dat iemand in slaap valt, maar toch niet dat hij in slaap blíjft?’
Klaas kijkt me aan en wrijft over zijn baard, die hij in een lange punt trekt. Hij springt van het nachtkastje af en gaat naast me op bed zitten.
‘Toch een slimmerik dus. Er zit niets anders op, dan dat ik je in vertrouwen neem.’
Er is net voldoende licht om Klaas in de ogen te kunnen kijken. Nieuwsgierig kijk ik hem aan: ‘Nou, vertel op. Waarom moest je me in slaap houden?’
‘Eerst beloven, dat je niet laat merken, dat ik het je heb verteld.’
Ik twijfel een moment. Ach, Klaas Vaak zal wel niet verwikkeld zijn in allerhande duistere zaken, met uitzondering van de nacht dan. ‘Ik beloof het.’
‘Je raam staat op een kier open, dus we kunnen kijken en luisteren. Wij gaan samen op de rand van het bed zitten en kijken rustig naar je tuin. Ik zal je uitleggen wat er gebeurt.’ Waarschuwend steekt hij zijn vinger omhoog: ‘En geen geluid maken!’
‘Klopt het dat je altijd leuke dromen meegeeft met het slaapzand?’ vraag ik.
Klaas knikt. Oké, denk ik, dan hoef ik dus niet te vrezen dat ik in een of andere nachtmerrie beland. Ik begin toch wel nieuwsgierig te worden.
 
Het piepen van de poort verstoort de vroege ochtendrust en dan zie ik een man de tuin inlopen met op zijn schouder een bos hout. Achter hem aan loopt een ventje met een pet op. Als die zich omdraait zie ik zijn silhouet. Een lange neus. ‘Pinokkio?’ vraag ik zachtjes.
Klaas knikt weer. ‘En die man is Gepetto, Pinokkio’s vader,’ verduidelijkt hij.
Weer piept het hek en nieuwsgierig kijk ik naar de volgende die de tuin inloopt. Een jonge man leidt een ezel met een tafel op zijn rug. ‘Iaa-iaa,’ balkt die.
Klaas Vaak wrijft in zijn handen. Zijn hersens draaien op volle toeren. Zijn opdracht loopt helemaal volgens plan, behalve dan dat hij dit alles nu aan me laat zien, eerder dan de bedoeling is. ‘Ken je het sprookje van die ezel?’
Eerlijk gezegd ben ik de details van dat verhaal kwijt en ik vraag Klaas om het toe te lichten.
‘Dat vraagt nu te veel tijd. Je moet het maar eens opzoeken. Hoe dan ook, de spreuk “Tafeltje dekje, ezeltje strek je” moet je kennen. In het sprookje is een man in het bezit gekomen van een betoverde tafel en hij laat die door de ezel dragen. De ezel kan goudstukken poepen, maar dat doet hij vandaag niet, hij werkt gewoon als pakezel.’
Ik wil hem onderbreken, door te zeggen, dat die ezel best wel de nodige goudstukken mag poepen, maar iets in mij zegt, dat dat niet op zijn plaats is. Ik kijk weer naar de activiteiten in de tuin.
 
Gepetto pakt de tafel van de rug van de ezel, zet hem op het gras en zegt de spreuk die Klaas daarnet al gebruikte: ‘Tafeltje dekje, ezeltje strek je.’ In no time ligt er over de tafel een kraakhelder, wit kleed en staan er borden, glazen en bestek. Zo, dat belooft wat. Het is overduidelijk niet bedoeld voor één persoon. Wie komen er dan nog meer?
Een klein jochie met een grote mand over zijn arm, trippelt het gras op. Hij zet de mand op tafel en nu kan ik zien, dat die vol ligt met brood. Dit jochie moet Klein Duimpje zijn, dat kan ook niet anders.
Inmiddels zijn Gepetto en Pinokkio druk bezig om houtjes in de vorm van een houtvuur te leggen. Gepetto timmert een stellage erboven met een ketting erin. Terwijl hij Pinokkio de laatste aanwijzingen geeft, meldt zich weer een figuur. Kromgebogen met een stok in de hand, sleept de heks, want dat is ze, een ketel met zich mee. Gepetto neemt de ketel van haar over en hangt die aan de ketting boven het vuur.
Ach, kijk nou wat lief: zeven geitjes trippelen het gras op en mekkeren tegen een meisje dat voor hen uit loopt: ‘Bèh, bèh, Roodkapje, waar moeten de geitenkaasjes naartoe?’
Roodkapje ploft neer op het gras en doet haar rode jasje uit. ‘Even wachten, ik zal zo navragen waar de kaasjes heen moeten. Ik wil eerst bijkomen van de lange wandeling. Jullie huppelden dan wel leuk rond, maar ik moest die mand met koekjes meezeulen.’
‘Waar is je grootmoeder trouwens?’ vraagt een van de geitjes.
‘Die komt dadelijk mee met Hans en Grietje.’
‘Moet ze dat hele stuk lopen? Dat is toch veel te ver?’
‘Vergis je niet in mijn oma hoor, dat is een kranige tante. Bovendien had Hans nog een idee, dat het voor haar makkelijker zou maken. Ik weet eerlijk gezegd ook niet wat dat idee is, maar dat zullen we nog wel zien. Stil eens: ik hoor hoefgetrappel.’
 
Evenals het gezelschap beneden kijk ik naar de poort, die geopend wordt door zeven dwergen, die hem openhouden zodat de paarden de tuin in kunnen trappelen. Ze trekken een glimmend gepoetste koets voort. De prins voorop de bok springt ervan af en houdt de koetsdeuren open. Galant als hij is, reikt hij eerst de hand aan Roodkapjes grootmoeder en daarna aan Assepoester en Sneeuwwitje.
‘Kom verder, kom verder,’ roept Gepetto.
In korte tijd heeft hij samen met Pinokkio een stoel in elkaar getimmerd, bedoeld voor grootmoeder. Tevreden trekt ze een plaid over haar benen. Sneeuwwitje loopt langs mijn huis op en verdwijnt uit beeld. Kort daarop hoor ik hanengekraai en gekakel van de kippen. Er zal toch geen vos in het kippenhok zijn binnengedrongen? Ik moet me inhouden om niet naar buiten te rennen en te kijken wat er aan de hand is, maar de dwingende hand en indringende ogen van Klaas Vaak weerhouden me aan die impuls toe te geven.  
Gelukkig is mijn schrikbeeld van veren in een bloedbad snel verdwenen als Sneeuwwitje terug komt lopen met achter zich aan: mijn kippen. Elke kip houdt behoedzaam een ei tussen haar vleugels geklemd. Ze reiken om beurten hun ei aan Klein Duimpje aan, die ze in een schaal naast de vuurplaats legt.
 
‘Gaan ze het vuur ook nog aansteken?’ vraag ik aan Klaas. Als ik geen antwoord krijg, zie ik dat hij niet meer naast me zit. Ik kijk om en zie hem staan met de deurklink in de hand. ‘Waar ga jij heen?’ wil ik weten. Hij laat me nu toch niet alleen, hoop ik.  
Klaas legt zijn vinger voor zijn mond om me te waarschuwen niet te hard te praten. ‘Ik ga naar beneden. Mijn sprookjescollega’s zullen vast wantrouwend worden als ik er zometeen niet bij ben.’
‘Hoezo zometeen?’
‘Niet te veel vragen stellen nu. Onthoud dat ik je gezegd heb, dat je niet laat merken, wat je allemaal gezien hebt. Je merkt wel wat er nu gaat gebeuren. O ja, niet alleen zien, ook horen.’
Zachtjes trekt hij de deur achter zich dicht en ik kijk weer uit het raam. Even later zie ik Klaas Vaak naar het gezelschap lopen. Iedereen kijkt hem verwachtingsvol aan. Hij steekt zijn duim omhoog en legt zijn hoofd zijdelings in zijn opgeheven handen. Volgens mij maakt hij hiermee duidelijk dat het hem gelukt is mij in slaap te houden.
Hé, in de tijd dat ik even niet oplette, zijn er zeven dwergen aangesloten bij het gezelschap, evenals een armoedig gekleed meisje. Ach, dat is het meisje met de zwavelstokjes. Wat fijn, dat ze zich ook eens midden in de zomer kan laten zien en niet eenzaam in de koude sneeuw hoeft te overleven door zich met aangestoken lucifers een  beetje warm te houden. Ik ben blij dat ze deel uit kan maken van het gezelschap in mijn tuin. Ik heb inmiddels het idee gekregen dat er hier een feestje voorbereid wordt. Maar waarom?  
Grietje loopt naar het meisje toe en haalt haar over om eerst iets te pakken van de schaal met peperkoek en andere zoete lekkernijen. Zou ze die samen met Hans van het huisje afgepulkt hebben? Het huisje waar de heks Hans wilde opsluiten? Even later veegt het zwavelstokjesmeisje de koekkruimels van haar mond en loopt naar de houtstapel. Gespannen kijken de omstanders toe. Een voor een strijkt ze de lucifers aan en gooit die tussen het hout, dat langzaamaan vlam vat. De rook drijft mijn open raam binnen en met moeite demp ik een hoestprikkel door snel het kussen naar me toe te trekken en voor mijn mond te houden.
Hier moet toverkunst in het spel zijn, want binnen no time kookt het water in de heksenketel. De kippen geven om beurten hun ei aan Gepetto, die ze voorzichtig in het water laat glijden.
Ineens een herrie! De kippen kakelen op volle sterkte en fladderen weg bij het houtvuur. De heks heeft kans gezien er een bij de kladden te grijpen en wil die op het vuur gooien.
Gepetto, de prins en Assepoester storten zich op de heks en knijpen net zo lang in haar arm totdat ze de kip loslaat, die in sneltreinvaart wegfladdert. Zo te zien wordt de heks ernstig toegesproken en zelfs op deze afstand is me duidelijk, dat ze eieren voor haar geld kiest.
Alle sprookjesfiguren zijn nog aan het bijkomen van de opwinding als een loepzuiver vogelgeluid klinkt. Ongetwijfeld de Chinese nachtegaal die aankondigt dat de ochtendschemer plaats gaat maken voor de opkomende zon.
 
Doodse stilte! Ineens kijkt iedereen naar mijn slaapkamerraam en ik kan nog net op tijd wegduiken.
Dan klinkt er een hels kabaal. Dit moet Klaas bedoeld hebben toen hij zei dat ik nog wel zou zien of horen wat er aan de hand is. Deze herrie zou zelfs Doornroosje nog uit haar slaap halen na haar jarenlange slaap.
Iedereen kakelt, zingt, schreeuwt en krijst door elkaar en met enige moeite kan ik horen wat ze zingen: ‘Kom nu gauw, vandaag is een speciale dag voor jou. Het ontbijt staat klaar, aanvallen maar.’
Mijn slaapkamerdeur gaat open en daar staan Klaas Vaak met de zeven dwergen en Klein Duimpje, allemaal breeduit lachend, in de deuropening.
‘Kom je met ons mee? Vandaag mogen wij allemaal niet ontbreken in jouw wereld, dus we hebben een feest voorbereid in jouw tuin.’
Klaas Vaak had me echt niet hoeven te vragen om het te doen lijken dat ik compleet verrast ben. Ineens weet ik wat de reden voor deze uitnodiging is! Ik sla mezelf opnieuw voor mijn kop. Nu niet om een mug te doden, maar om mezelf te straffen dat ik bijna vergeten ben, dat het vandaag 7 juli is.
En 7 juli is…De Dag Van Het Sprookje!

©Vera Oor, 2025

Beschermend blad

Waarom zou ik langer blijven liggen. Eruit! Vannacht heb ik de ramen wagenwijd open gehouden en de heldere zomerochtendlucht drijft de kamer...