Kick loopt met grote stappen de pier op, ondanks dat zijn ouders hem hebben gewaarschuwd nooit zover te gaan omdat de pier glad kan zijn en het water bij het eind diep is.
De zon schijnt volop. Er is geen wolkje te bekennen, maar het gezicht van Kick lijkt op één grote donderwolk.
Hij is boos omdat hij geen leren bal heeft gekregen en het moet doen met het plastic exemplaar in zijn handen. Hij prikt er stevig in met een schroevendraaier totdat met een klein plofje de eerste lucht ontsnapt, waarna hij hem met een flinke trap het water inschopt.
‘Stomme rotbal,’ schreeuwt Kick de bal na, die heel even blijft dobberen en dan langzaam onder water verdwijnt.
Twee
witte, schuimende golven komen zijn kant op.
Vreemd. De zee is glad en verder is er geen golf te bekennen.
Verbaasd kijkt hij naar de schuimkoppen, die steeds dichterbij komen en naar elkaar toe drijven. Met grote ogen ziet Kick wat er gebeurt en hij stapt terug.
Te laat! De schuimkoppen vormen een grote, witte, geopende mond die met flinke snelheid op hem afrolt.Wegrennen lukt niet meer.
‘Kick,
Kick, waar ben je?’ drijven de woorden over het strand en de zee.
Een man en een vrouw zetten hun handen voor de mond om hun stem kracht bij te zetten. ‘Ki-i-hi-ck.
Iets verderop vormen zich groepjes mensen.
‘Wat is er?’ wil een klein meisje weten.
‘Er is een jongen verdwenen,’ antwoordt haar moeder.
Het kleine meisje knikt en maakt een beweging met haar armen, alsof ze een bal vast wil pakken. ‘Mond,’ zegt ze, maar niemand luistert naar haar.
De
golven die op hem afkomen, hebben Kick volledig bedekt met het witte schuim
waardoor hij niets meer ziet. Hij
voelt dat hij van de pier weggezogen wordt. Spartelend
met zijn benen en maaiend met zijn armen probeert hij ergens houvast te
krijgen, maar zijn voeten voelen geen ondergrond meer. Als
kurketrekkers worden zijn blonde krullen onder water getrokken. Kick
heeft het gevoel dat hij een enorme tunnel ingezogen wordt.
Het gaat zó snel, dat hij niet kan zien wat er om hem heen gebeurt.
Behalve suizende lucht is er geen enkel geluid te horen. Plotseling stopt het gesuis. Kick voelt weer vastigheid onder zijn voeten en, een beetje duizelig, blijft hij wankelend staan. Zijn handen tasten voorzichtig de omgeving af.
Achter zich voelt het nat en glibberig aan. Stenen?
Het geluid van kabbelend water, maar hij krijgt geen natte voeten.
Geleidelijk aan kan hij iets meer onderscheiden in de duistere ruimte.
Het stenen plateau bevindt zich boven het water en zonder zijn hoofd te stoten kan hij er met gemak op staan.
‘Wat is dit, waar ben ik?’ roept hij hardop.
Zijn stem wordt weerkaatst en komt als een mysterieus geluid van alle kanten terug: ‘is dit-dit, ben ik-ik.’
‘Hallo, is hier iemand?’
Die echo weer: ‘iemand-iemand.’
Kick begint nu toch bang te worden. Wat gebeurt er allemaal, waar is hij?
Het lijkt nog zo kortgeleden dat hij vakantie kreeg en zijn vader tegen hem zei: “Koffers gepakt? Gaan!”
Zijn moeder had de campingspullen al in de auto liggen en ze waren vertrokken naar de camping aan zee.
En nu zit hij ergens, maar waar? In een grot?
Iets
verderop ziet hij licht. Met zijn rug tegen de koude, stenen wand schuifelt hij
behoedzaam in de richting van de lichtbron en komt uit in een grote, ronde
ruimte. In
de stenen wanden zitten enorme ruiten met water erachter! Het
lijkt alsof hij zich tussen grote aquaria bevindt op een breed, stenen balkon
dat voor de ruiten langs loopt.
Kick schrikt op door een naderend geluid, dat weerkaatst wordt, alsof het trappelende paardenhoeven zijn.
Hij probeert te ontdekken waar het geluid vandaan komt en kijkt over de rand van het balkon naar beneden.
Een spookachtig licht glijdt over het water, dat tegen de stenen klotst.
Het klepperende geluid komt langzaam dichterbij.
Hij kan zijn ogen niet geloven: een span zeepaardjes trekt iets door het water: een vaartuig dat lijkt op een Romeinse strijdwagen.
Ben ik nu op een filmset beland? vraagt Kick zich af.
De koetsier is een grote, naakte man met een woeste baard. In zijn rechterhand houdt hij stevig de teugels van de zeepaardjes vast.
In zijn linkerhand heeft hij een drietand, een soort mestvork.
Op korte afstand van Kick trekt de man de teugels aan en de zeepaardjes houden halt.
Hij springt omhoog op het balkon waar Kick staat. Die voelt de trilling van de dreunende voetstappen als de man zijn kant oploopt.
‘W-w-wie bent u? stottert Kick terwijl hij zijn hoofd achteroverbuigt om de man, die hoog boven hem uittorent, goed te kunnen zien.
‘Ik ben Neptunus,’ de god van de zee, zegt de man met zware, donkere stem en hij ondersteunt zijn woorden door met de drietand flink op de grond te stampen. ‘We zitten hier diep in de zee, in een grot.’
Ongelovig kijkt Kick hem aan en vraagt: ‘Hoe kan ik dan ademen?’
‘Niet zoveel vragen, jongeman. Ik ga jou eerst een en ander vertellen en jij gaat alleen maar luisteren, hoor je, alleen maar luisteren!’
Kick durft niets meer te zeggen en wacht gespannen af.
‘Jij vond het zo nodig een plastic bal de zee in te schoppen,’ buldert de man.
‘Uh, ja, maar ...,’ reageert Kick, maar Neptunus heft zijn hand om te gebaren dat hij geen weerwoord duldt.
‘Jij
denkt misschien: het is maar een kleine bal in die grote zee, maar iedereen
denkt tegenwoordig zo en gooit van alles in het water. Onze inktvissen draaien
ploegendiensten en maken overuren om met hun tentakels het plastic te
verzamelen en naar een opslag te brengen.’
Kick laat de woorden op zich inwerken.
Neptunus vervolgt zijn donderpreek: ‘Het gaat maar door, elke dag opnieuw komt er plastic rotzooi in de zee. Ik weet dat jullie mensen spreken over een “plastic soep” en zo ís het daadwerkelijk.’
Neptunus praat op iets zachtere toon verder: ‘Je bent hier in een grot. We hebben mogelijkheden om te zorgen, dat een deel van deze grot niet onder water loopt en dat er voldoende zuurstof is voor een mens om te overleven.’
‘Dus u maakt me niet dood?’ vraagt Kick bedremmeld.
De man kijkt hem indringend aan. ´Nee.’
Kick haalt even opgelucht adem en wacht af wat hij nog meer te horen krijgt.
‘Je wordt zometeen rondgeleid door Kira. Zij vertelt je meer. Ik raad je aan om alles goed in je op te nemen.’
Neptunus kijkt Kick diep in de ogen en loopt in de richting van het vaartuig. Zodra hij daarin zit, maakt hij een klikkend geluid met zijn tong en het span zeepaardjes trekt hem verder de grot uit.
Pletsj,
pletsj, hoort Kick en dan wrijft hij zich eens goed in de ogen.
Nee dit kan niet…een zeemeermin!
‘Hallo ik ben Kira,’ zegt ze met zachte stem en ze geeft hem een hand.
‘Ik ben Kick,’ fluistert hij, terwijl hij haar bewonderend aankijkt.
‘Kom mee, je bent in het midden van het ziekenhuis waar alle ruimtes omheen liggen. Ik laat ze je zien,’ nodigt Kira hem uit haar te volgen.
Kick vraagt zich af hoe ze buiten water zo sierlijk en soepel kan bewegen met die vissenstaart. Haar lange blonde haren wapperen achter haar aan als ze over het balkon loopt.
Kira
stopt bij een raam. ‘Dit is een ziekenkamer, hier ligt Brachyura, de krab. Zijn
scharen zijn beschadigd door harde stukken plastic,’ legt ze uit, terwijl ze
voorzichtig zwaait naar de krab.
‘De zwaardvisdoktoren hebben alle moeite gedaan om zijn scharen te vijlen met hun zwaard. Dat was een zware operatie en hij heeft tijd nodig om te herstellen.’
De rode krab kijkt nog wat bleekjes hun kant uit. Zijn scharen zijn in verband gewikkeld. In een vaas op het tafeltje naast zijn waterbed staan zeeanemonen, een bloemengroet van zijn bezorgde familie.
Kira
gaat naar het volgende raam en wijst Kick op de patiënt, waarover ze vertelt:
‘Conger, de zeepaling, staat op dieet. Hij heeft zich vastgezwommen in een
stofzuigerslang, maar kon op een gegeven moment niet meer voor- of achteruit.
Hij krijgt nu via een rietstengel speciale voeding om af te vallen, zodat hij
uiteindelijk weer uit de slang kan glijden.’
Kick krijgt het al benauwd als hij naar de beklemmende situatie kijkt, waarin de paling verkeert.
‘Komt het goed?’ wil hij weten.
‘Ja, maar het vraagt veel tijd. We hebben dit eerder bij de hand gehad,’ vertelt Kira, terwijl ze zich beweegt naar het volgende raam.
‘In
deze patiëntenkamer ligt Tetra, de kogelvis. Tetra is ernstig ziek. Zijn lijf
zit vol met piepschuimbolletjes. Ademen kost hem enorm veel inspaning.’
Kick ziet bij elke keer dat Tetra uitademt de piepschuim bolletjes als luchtbelletjes uit zijn bek wegdrijven.
Kira legt uit wat er verder met Tetra gaat gebeuren: ‘Het is wachten tot alle bolletjes eruit zijn. Daarna moeten zijn ingewanden weer wennen aan gewoon eten en moeten de artsen beoordelen of er geen blijvende schade is.’
De normaalgesproken ronde kogelvis ligt nu bleek en met ingevallen wangen op een waterbed. Zijn ogen zijn gesloten.
Op
het volgende raam staat in grote letters: Spoed Eisende Hulp en Operatiekamers.
Kick ziet zeemeerminnen voorzichtig een gewonde patiënt naar de operatietafel dragen, waaromheen zich al veel artsen verzameld hebben.
‘Is dat een maanvis?’ vraagt Kick en hij wijst naar de vis achter in de ruimte.
Kira knikt: ‘Dat klopt, de maanvis en de zeesterren zorgen voor meer licht. Lantaarnvisjes schijnen nog extra bij, zodat de artsen voldoende licht hebben tijdens een operatie.’
‘Welke vis wordt er geopereerd?’ informeert Kick, die maar een klein puntje van een vissenstaart ziet, de rest ligt onder een laken van plankton.
‘Dat is Labri, een lipvis,’ beantwoordt Kira zijn vraag. ‘Zijn lippen zijn beschadigd door de scherpe randen van stukken plastic die naar de zeebodem gezonken zijn,’ verzucht ze. ‘Voorafgaand aan de operatie is hij gewassen door sponzen. Krabben knippen zorgvuldig stukjes plastic uit de lippen en de zeekomkommer zuigt de kleinste friemeltjes plastic uit de wond. De pijlstaartrog hecht straks, na de operatie, de wonden met een dunne sliert zeewier.’
‘Ik
waarschuw je even, want wat je nu gaat zien, is hartverscheurend,’ bereidt Kira
hem voor op de volgende patiëntenkamer.
Kick kijkt haar angstig aan.
‘Kleutervisjes
die in een school rondzwommen, daagden elkaar uit om in de hals van plastic
flessen te zwemmen. Ze wilden weleens weten hoeveel visjes er in een fles
passen,’ legt Kira uit.
Kick kijkt verbijsterd naar wat hij ziet: visjes die elkaar wegdrukken om zo snel mogelijk uit de fles te zwemmen, maar de hals is te klein en ze vallen telkens terug en krioelen door elkaar.
Hun ouders zwemmen om de fles heen en proberen de visjes rustig te houden en moed in te praten. Kick kan niet horen wat ze zeggen, maar ziet de drukke blubbewegingen van hun lippen.
‘Wie is de vis in die doktersjas met een stok in zijn hand?’ informeert Kick.
Kira antwoordt: ‘Dat is dokter Cerati. Hij is een hengelvis en hij hengelt een voor een de visjes uit de fles. Dat moet heel voorzichtig gebeuren om de bekjes van de visjes niet te beschadigen.’
Kira
loopt naar het volgende raam en wenkt Kick. Die
heeft de tranen in zijn ogen staan, door wat hij zojuist gezien heeft.
Kira legt hem uit dat de visjes die uit de fles gered zijn in deze kamer komen te liggen op een groot waterbed. ‘Door alle spanning hebben ze het koud gekregen en Ray, de mantelrog, gaat af en toe over hen heen liggen om ze op te warmen.’
‘Hé, daar zwemt Nemo,’ roept Kick uit.
‘Ja, jullie mensen noemen hem Nemo,’ bevestigt Kira, ‘maar het is een clownvis. Heb je weleens gehoord van de Cliniclowns, die mensenkinderen in ziekenhuizen opvrolijken?’
Kick knikt.
‘De clownvis doet hetzelfde. Hij trekt gekke bekken en vertelt kleine verhalen aan de visjes om ze af te leiden in de tijd dat ze hier verblijven.’
Kick
is diep onder de indruk van alles wat hij gezien heeft en is er stil van. In
de verte hoort hij weer het geklepper van de paardenhoeven.
Neptunus komt eraan, die in ieder geval vriendelijker kijkt dan daarstraks.
Hij tilt Kick van het balkon en zet hem naast zich in de wagen, waarna hij de zeepaardjes aanspoort om te vertrekken uit de grot.
Kick kijkt nog vlug een keer achterom om te zwaaien naar Kira.
Met eenzelfde snelheid als hij naar beneden is getrokken, gaan ze naar het oppervlak van de zee.
Onderweg kijkt Neptunus hem aan en zegt: ‘Zo, volgens mij heb je veel geleerd en ben je wel overtuigd van de schade die plastic aanbrengt onder water. Wat ga je hiermee doen? Niemand zal je verhaal geloven.’
Kick bevestigt dit: ‘Als mijn vrienden dit aan mij zouden vertellen, zou ik het ook nooit geloven, maar ik heb wel een idee.’
Neptunus kijkt hem vragend aan en Kick vertelt zijn plan: ‘Aan het begin van het schooljaar is er een wedstrijd en mag iedereen een verhaal insturen over de vakantie van dit jaar. Dat mag fantasie of waarheid zijn. De titel moet zijn: “Koffers gepakt? Gaan!” en ik ga een verhaal schrijven over wat ik beleefd heb. Inmiddels is me duidelijk waar het écht over gaat, en mijn klasgenoten zullen er vast ook van leren. Alle kleine beetjes helpen.’
Neptunus knikt goedkeurend.
Ze
komen boven water, maar zijn niet zichtbaar omdat het vaartuig omgeven is door
wit schuim van de golven.
‘Ho, wacht even, daar gaat iets niet goed,’ roept Neptunus en hij zet koers in de richting van een walvis die schokkende bewegingen maakt.
‘Kick, help even,’ beveelt hij kortaf. ‘Een plastic zak verstopt de opening van het spuitgat van Wallie. Daardoor kan hij niet ademen.’
Met gezamenlijke inspanning lukt het Neptunus en Kick om de zak weg te trekken. Wallie slaakt een diepe zucht en haalt opgelucht adem. Daarna maakt hij een sprong boven de golven uit, klapt met zijn borstvinnen op het water en spuit dankbaar een fonteintje water omhoog.
Neptunus geeft Kick een bemoedigende klap op de schouder. ‘Succes jongen.’
Hij tilt Kick omhoog en zet hem in de golven. De schuimkoppen tillen hem op en rollen hem naar het strand.
Een klein meisje roept weer: ‘Mond,’ en dit keer geloven de omstanders haar wel.
Ze kijken stomverbaasd naar de schuimkoppen in de vorm van een geopende mond. En dan zien ze Kick!
‘Kick!’ Zijn vader en moeder komen aanrennen.
‘Dit waren de langste minuten van mijn leven,’ zegt zijn vader.
‘Minuten?’ vraagt Kick verbaasd.
Hij weet nu, dat niemand hem zal geloven als hij zijn verhaal vertelt, dus hij laat het er maar bij en zegt alleen maar: ‘Nou, de mijne ook.’
Enige
weken later wordt de uitslag van de schrijfwedstrijd op Kick’s school
bekendgemaakt.
De juryvoorzitter spreekt de volle zaal toe: ‘Met een verhaal, dat mensen aan het denken zet, heeft een van jullie een fantastisch verhaal verzonnen over het leven in de diepzee. De winnaar is…Kick.
Vreemd. De zee is glad en verder is er geen golf te bekennen.
Verbaasd kijkt hij naar de schuimkoppen, die steeds dichterbij komen en naar elkaar toe drijven. Met grote ogen ziet Kick wat er gebeurt en hij stapt terug.
Te laat! De schuimkoppen vormen een grote, witte, geopende mond die met flinke snelheid op hem afrolt.Wegrennen lukt niet meer.
Een man en een vrouw zetten hun handen voor de mond om hun stem kracht bij te zetten. ‘Ki-i-hi-ck.
Iets verderop vormen zich groepjes mensen.
‘Wat is er?’ wil een klein meisje weten.
‘Er is een jongen verdwenen,’ antwoordt haar moeder.
Het kleine meisje knikt en maakt een beweging met haar armen, alsof ze een bal vast wil pakken. ‘Mond,’ zegt ze, maar niemand luistert naar haar.
Het gaat zó snel, dat hij niet kan zien wat er om hem heen gebeurt.
Behalve suizende lucht is er geen enkel geluid te horen. Plotseling stopt het gesuis. Kick voelt weer vastigheid onder zijn voeten en, een beetje duizelig, blijft hij wankelend staan. Zijn handen tasten voorzichtig de omgeving af.
Achter zich voelt het nat en glibberig aan. Stenen?
Het geluid van kabbelend water, maar hij krijgt geen natte voeten.
Geleidelijk aan kan hij iets meer onderscheiden in de duistere ruimte.
Het stenen plateau bevindt zich boven het water en zonder zijn hoofd te stoten kan hij er met gemak op staan.
‘Wat is dit, waar ben ik?’ roept hij hardop.
Zijn stem wordt weerkaatst en komt als een mysterieus geluid van alle kanten terug: ‘is dit-dit, ben ik-ik.’
‘Hallo, is hier iemand?’
Die echo weer: ‘iemand-iemand.’
Kick begint nu toch bang te worden. Wat gebeurt er allemaal, waar is hij?
Het lijkt nog zo kortgeleden dat hij vakantie kreeg en zijn vader tegen hem zei: “Koffers gepakt? Gaan!”
Zijn moeder had de campingspullen al in de auto liggen en ze waren vertrokken naar de camping aan zee.
En nu zit hij ergens, maar waar? In een grot?
Kick schrikt op door een naderend geluid, dat weerkaatst wordt, alsof het trappelende paardenhoeven zijn.
Hij probeert te ontdekken waar het geluid vandaan komt en kijkt over de rand van het balkon naar beneden.
Een spookachtig licht glijdt over het water, dat tegen de stenen klotst.
Het klepperende geluid komt langzaam dichterbij.
Hij kan zijn ogen niet geloven: een span zeepaardjes trekt iets door het water: een vaartuig dat lijkt op een Romeinse strijdwagen.
Ben ik nu op een filmset beland? vraagt Kick zich af.
De koetsier is een grote, naakte man met een woeste baard. In zijn rechterhand houdt hij stevig de teugels van de zeepaardjes vast.
In zijn linkerhand heeft hij een drietand, een soort mestvork.
Op korte afstand van Kick trekt de man de teugels aan en de zeepaardjes houden halt.
Hij springt omhoog op het balkon waar Kick staat. Die voelt de trilling van de dreunende voetstappen als de man zijn kant oploopt.
‘W-w-wie bent u? stottert Kick terwijl hij zijn hoofd achteroverbuigt om de man, die hoog boven hem uittorent, goed te kunnen zien.
‘Ik ben Neptunus,’ de god van de zee, zegt de man met zware, donkere stem en hij ondersteunt zijn woorden door met de drietand flink op de grond te stampen. ‘We zitten hier diep in de zee, in een grot.’
Ongelovig kijkt Kick hem aan en vraagt: ‘Hoe kan ik dan ademen?’
‘Niet zoveel vragen, jongeman. Ik ga jou eerst een en ander vertellen en jij gaat alleen maar luisteren, hoor je, alleen maar luisteren!’
Kick durft niets meer te zeggen en wacht gespannen af.
‘Jij vond het zo nodig een plastic bal de zee in te schoppen,’ buldert de man.
‘Uh, ja, maar ...,’ reageert Kick, maar Neptunus heft zijn hand om te gebaren dat hij geen weerwoord duldt.
Kick laat de woorden op zich inwerken.
Neptunus vervolgt zijn donderpreek: ‘Het gaat maar door, elke dag opnieuw komt er plastic rotzooi in de zee. Ik weet dat jullie mensen spreken over een “plastic soep” en zo ís het daadwerkelijk.’
Neptunus praat op iets zachtere toon verder: ‘Je bent hier in een grot. We hebben mogelijkheden om te zorgen, dat een deel van deze grot niet onder water loopt en dat er voldoende zuurstof is voor een mens om te overleven.’
‘Dus u maakt me niet dood?’ vraagt Kick bedremmeld.
De man kijkt hem indringend aan. ´Nee.’
Kick haalt even opgelucht adem en wacht af wat hij nog meer te horen krijgt.
‘Je wordt zometeen rondgeleid door Kira. Zij vertelt je meer. Ik raad je aan om alles goed in je op te nemen.’
Neptunus kijkt Kick diep in de ogen en loopt in de richting van het vaartuig. Zodra hij daarin zit, maakt hij een klikkend geluid met zijn tong en het span zeepaardjes trekt hem verder de grot uit.
Nee dit kan niet…een zeemeermin!
‘Hallo ik ben Kira,’ zegt ze met zachte stem en ze geeft hem een hand.
‘Ik ben Kick,’ fluistert hij, terwijl hij haar bewonderend aankijkt.
‘Kom mee, je bent in het midden van het ziekenhuis waar alle ruimtes omheen liggen. Ik laat ze je zien,’ nodigt Kira hem uit haar te volgen.
Kick vraagt zich af hoe ze buiten water zo sierlijk en soepel kan bewegen met die vissenstaart. Haar lange blonde haren wapperen achter haar aan als ze over het balkon loopt.
‘De zwaardvisdoktoren hebben alle moeite gedaan om zijn scharen te vijlen met hun zwaard. Dat was een zware operatie en hij heeft tijd nodig om te herstellen.’
De rode krab kijkt nog wat bleekjes hun kant uit. Zijn scharen zijn in verband gewikkeld. In een vaas op het tafeltje naast zijn waterbed staan zeeanemonen, een bloemengroet van zijn bezorgde familie.
Kick krijgt het al benauwd als hij naar de beklemmende situatie kijkt, waarin de paling verkeert.
‘Komt het goed?’ wil hij weten.
‘Ja, maar het vraagt veel tijd. We hebben dit eerder bij de hand gehad,’ vertelt Kira, terwijl ze zich beweegt naar het volgende raam.
Kick ziet bij elke keer dat Tetra uitademt de piepschuim bolletjes als luchtbelletjes uit zijn bek wegdrijven.
Kira legt uit wat er verder met Tetra gaat gebeuren: ‘Het is wachten tot alle bolletjes eruit zijn. Daarna moeten zijn ingewanden weer wennen aan gewoon eten en moeten de artsen beoordelen of er geen blijvende schade is.’
De normaalgesproken ronde kogelvis ligt nu bleek en met ingevallen wangen op een waterbed. Zijn ogen zijn gesloten.
Kick ziet zeemeerminnen voorzichtig een gewonde patiënt naar de operatietafel dragen, waaromheen zich al veel artsen verzameld hebben.
‘Is dat een maanvis?’ vraagt Kick en hij wijst naar de vis achter in de ruimte.
Kira knikt: ‘Dat klopt, de maanvis en de zeesterren zorgen voor meer licht. Lantaarnvisjes schijnen nog extra bij, zodat de artsen voldoende licht hebben tijdens een operatie.’
‘Welke vis wordt er geopereerd?’ informeert Kick, die maar een klein puntje van een vissenstaart ziet, de rest ligt onder een laken van plankton.
‘Dat is Labri, een lipvis,’ beantwoordt Kira zijn vraag. ‘Zijn lippen zijn beschadigd door de scherpe randen van stukken plastic die naar de zeebodem gezonken zijn,’ verzucht ze. ‘Voorafgaand aan de operatie is hij gewassen door sponzen. Krabben knippen zorgvuldig stukjes plastic uit de lippen en de zeekomkommer zuigt de kleinste friemeltjes plastic uit de wond. De pijlstaartrog hecht straks, na de operatie, de wonden met een dunne sliert zeewier.’
Kick kijkt haar angstig aan.
Kick kijkt verbijsterd naar wat hij ziet: visjes die elkaar wegdrukken om zo snel mogelijk uit de fles te zwemmen, maar de hals is te klein en ze vallen telkens terug en krioelen door elkaar.
Hun ouders zwemmen om de fles heen en proberen de visjes rustig te houden en moed in te praten. Kick kan niet horen wat ze zeggen, maar ziet de drukke blubbewegingen van hun lippen.
‘Wie is de vis in die doktersjas met een stok in zijn hand?’ informeert Kick.
Kira antwoordt: ‘Dat is dokter Cerati. Hij is een hengelvis en hij hengelt een voor een de visjes uit de fles. Dat moet heel voorzichtig gebeuren om de bekjes van de visjes niet te beschadigen.’
Kira legt hem uit dat de visjes die uit de fles gered zijn in deze kamer komen te liggen op een groot waterbed. ‘Door alle spanning hebben ze het koud gekregen en Ray, de mantelrog, gaat af en toe over hen heen liggen om ze op te warmen.’
‘Hé, daar zwemt Nemo,’ roept Kick uit.
‘Ja, jullie mensen noemen hem Nemo,’ bevestigt Kira, ‘maar het is een clownvis. Heb je weleens gehoord van de Cliniclowns, die mensenkinderen in ziekenhuizen opvrolijken?’
Kick knikt.
‘De clownvis doet hetzelfde. Hij trekt gekke bekken en vertelt kleine verhalen aan de visjes om ze af te leiden in de tijd dat ze hier verblijven.’
Neptunus komt eraan, die in ieder geval vriendelijker kijkt dan daarstraks.
Hij tilt Kick van het balkon en zet hem naast zich in de wagen, waarna hij de zeepaardjes aanspoort om te vertrekken uit de grot.
Kick kijkt nog vlug een keer achterom om te zwaaien naar Kira.
Met eenzelfde snelheid als hij naar beneden is getrokken, gaan ze naar het oppervlak van de zee.
Onderweg kijkt Neptunus hem aan en zegt: ‘Zo, volgens mij heb je veel geleerd en ben je wel overtuigd van de schade die plastic aanbrengt onder water. Wat ga je hiermee doen? Niemand zal je verhaal geloven.’
Kick bevestigt dit: ‘Als mijn vrienden dit aan mij zouden vertellen, zou ik het ook nooit geloven, maar ik heb wel een idee.’
Neptunus kijkt hem vragend aan en Kick vertelt zijn plan: ‘Aan het begin van het schooljaar is er een wedstrijd en mag iedereen een verhaal insturen over de vakantie van dit jaar. Dat mag fantasie of waarheid zijn. De titel moet zijn: “Koffers gepakt? Gaan!” en ik ga een verhaal schrijven over wat ik beleefd heb. Inmiddels is me duidelijk waar het écht over gaat, en mijn klasgenoten zullen er vast ook van leren. Alle kleine beetjes helpen.’
Neptunus knikt goedkeurend.
‘Ho, wacht even, daar gaat iets niet goed,’ roept Neptunus en hij zet koers in de richting van een walvis die schokkende bewegingen maakt.
‘Kick, help even,’ beveelt hij kortaf. ‘Een plastic zak verstopt de opening van het spuitgat van Wallie. Daardoor kan hij niet ademen.’
Met gezamenlijke inspanning lukt het Neptunus en Kick om de zak weg te trekken. Wallie slaakt een diepe zucht en haalt opgelucht adem. Daarna maakt hij een sprong boven de golven uit, klapt met zijn borstvinnen op het water en spuit dankbaar een fonteintje water omhoog.
Neptunus geeft Kick een bemoedigende klap op de schouder. ‘Succes jongen.’
Hij tilt Kick omhoog en zet hem in de golven. De schuimkoppen tillen hem op en rollen hem naar het strand.
Een klein meisje roept weer: ‘Mond,’ en dit keer geloven de omstanders haar wel.
Ze kijken stomverbaasd naar de schuimkoppen in de vorm van een geopende mond. En dan zien ze Kick!
‘Kick!’ Zijn vader en moeder komen aanrennen.
‘Dit waren de langste minuten van mijn leven,’ zegt zijn vader.
‘Minuten?’ vraagt Kick verbaasd.
Hij weet nu, dat niemand hem zal geloven als hij zijn verhaal vertelt, dus hij laat het er maar bij en zegt alleen maar: ‘Nou, de mijne ook.’
De juryvoorzitter spreekt de volle zaal toe: ‘Met een verhaal, dat mensen aan het denken zet, heeft een van jullie een fantastisch verhaal verzonnen over het leven in de diepzee. De winnaar is…Kick.
Dit verhaal had ik ingezonden voor een schrijfwedstrijd met als thema "Koffers gepakt? Gaan!"
Een verhaal voor kinderen van 8 - 12 jaar.
Helaas is mijn verhaal niet uitgekozen, maar ik ben wel erg blij met de juryrapporten die ik heb gekregen.
Enkele citaten:
- Originaliteit verdient een pluim
- Prachtige opbouw, humoristisch, goede tekstopbouw, uitgewerkt zodat je het als lezer zelf beleeft.
- Goed onderwerp in huidig tijdsbeeld van klimaatverandering, vervuiling en plastic soep.
- Flink tempo in het verhaal, beeldende personages
© Vera Oor, 2024