Johanna op de kermis

 

‘Johanna!’
Nog voordat Johanna haar moeder ziet, weet ze dat het onvermijdelijke gaat gebeuren.
Ze vertraagt haar pas als ze naar de waslijn loopt, waar ze zich kwetsbaar weet als een reekalf in het open veld.

‘Waar zijn jouw maandelijkse doekjes?’
Zo vaak als Johanna zich voorbereid heeft op deze vraag, toch overvalt het haar.
‘Die… die had ik niet nodig,’ antwoordt ze en richt haar blik naar de grond.
De waarheid baant zich een weg naar buiten, zodra Johanna haar mond opent.  
‘Al drie maanden niet. Andere maanden smeerde ik bietensap in het doekje en legde dat bij het wasgoed. Deze maand ben ik het vergeten.’
Haar struise moeder wankelt een moment en zijgt neer op een van de houten stoeltjes. De wasknijpermand valt uit haar hand.
Als in een toneelstuk trekt de toekomst in scènes aan haar voorbij: de woede van haar man, het oordeel van de kerkgemeenschap, het verdere leven van haar dochter.’
‘Weet je het zeker, drie maanden? Te laat om weg te halen.’
‘Het gebeurde op de kermis,’ zegt Johanna mat. ‘Ik was duizelig toen ik uit de carrousel kwam. Een jongen ving me op en gaf me wat te drinken. ‘Hier is het te druk,’ zei hij en nam me mee naar een plek achter de kermiswagens. En daar…’
Met gierende uithalen vertelt Johanna wat er gebeurde.
De jongen veranderde in een woeste stier.
Hij gooide haar tegen de grond, trok haar rok omhoog en haar kousen en broekje naar beneden. Met een hand over haar mond verhinderde hij dat ze kon schreeuwen om hulp.
De kaaklijn van moeder verhardt zich. Ze buigt zich hijgend naar Johanna over die in elkaar duikt om de uitgestrekte arm te ontwijken.
‘Wie was het?’
‘Ik ken hem niet. Een van de jongens van de kermis.’
‘Ook dat nog. Een bastaard in de familie.’

©Vera Oor, 2026

Beschermend blad

Waarom zou ik langer blijven liggen. Eruit! Vannacht heb ik de ramen wagenwijd open gehouden en de heldere zomerochtendlucht drijft de kamer...