Het voltallige bestuur heeft zich verzameld op de grote weide in het midden van het park. In de loop van de tijd is deze groep flink uitgebreid met een aantal leden. Zuiver bekeken komt het erop neer dat elke bewoner ook bestuurslid is geworden. Dat zijn er welgeteld dertien. Er staan maar twee punten op de agenda: beperking van de toestroom van nieuwe bewoners en openstelling van het park voor bezoekers.
De grootte van het perceel is een heikel punt. Huidige bewoners verdragen elkaar maar zijn zeker niet allemaal bevriend met elkaar.
De voorzitter opent de vergadering en stelt de openstelling aan de orde. ‘Wanneer wij het park open willen stellen, zullen we een aantal rigoureuze veiligheidsmaatregelen moeten nemen om onze levens niet in gevaar te brengen. Het mag niet zo zijn, dat een van ons gevangen wordt en meegenomen naar een onbekende bestemming.’
‘Hoe zie je dat dan voor je?’ vraagt een van de allereerste bewoners.
‘We moeten het daarbij doen voorkomen, dat we alles onder controle hebben, dat wij de bezoekers niet aan zullen vallen, dat we zelfvoorzienend zijn. We zullen moeten gaan bouwen, zodat elk van ons, in ieder geval moet het voor de buitenwereld zo lijken, een eigen, afgeschermd verblijf heeft.’
Er stijgen verontwaardigde geluiden op uit het gezelschap. Ieder is gesteld op de ruimte en wil onder geen beding opgesloten worden.
‘Koppen dicht nu, allemaal,’ commandeert de voorzitter.
‘We hebben geen keuze dus laten we vooral kijken naar geschikte plekken om
verblijven te bouwen, we moeten op zoek naar slimme lui die kunnen helpen met
het maken van bouwtekeningen.’
Geleidelijk aan verstomt het protest en realiseert
iedereen zich dat ze alleen vooruitkomen als ze gezamenlijk de schouders
eronder zetten en aan gaan pakken.
‘Wie kan al dat werk gaan verzetten?’ verzucht de chinchilla, die zorgvuldig haar zachte zwarte vacht poetst. Ze ziet zichzelf niet als een van de werklui en dat geldt wel voor meer bewoners.
‘Voordat ik het vergeet: we hebben een aanvraag gekregen voor het toelaten van een nieuwe bewoner: een luipaard,’ onderbreekt de voorzitter de protesten.
‘Ammenooitniet, een luipaard. Hoe kom je erbij. We hebben een werkpaard nodig!’ knort het varken. Hij wordt al snel gesteund door de giraf.
‘En wie kan alles bedenken? Dan hebben we een slimmerik nodig,’ merkt de schildpad op. ‘Ik ben er te langzaam voor.’
Na het nodige geharrewar en het brainstormen in kleine groepen komt het gezelschap tot de conclusie, dat ze toch echt meer bewoners moeten toelaten, zoals een chimpansee. Die is slim genoeg om plannen te maken, een olifant is nodig voor het zware werk van verplaatsen van de omgewoelde grond van het varken, zodat er funderingen kunnen worden aangelegd. Een kudde buffels is nodig om nieuwsgierige bemoeials op afstand te houden. De giraf heeft hulp nodig van zijn familieleden om op hoogte te kunnen werken.
Gaandeweg de dag en na verscheidene brainstormrondes
liggen er wonderwel voorstellen op tafel waar iedereen zich in kan vinden. De
slang zal zorgen voor het aanleggen van leidingen, de schildpad stelt zijn
schild beschikbaar als transportmiddel, het hert kan zijn gewei gebruiken om
boomwortels los te woelen. De kangoeroebuidel is ideaal voor het vervoeren van
kostbare bouwmaterialen. De zebra zorgt voor veilige oversteekplaatsen zodat de
bouwvakkers elkaar niet voor de voeten lopen. De pony kan het werk van een
werkpaard doen. Hij stelt daarbij wel de voorwaarde dat er alsnog op zoek wordt
gegaan naar werkpaarden die hem ondersteunen. Zeepaardjes en kreeften moeten de
watervoorzieningen gaan inspecteren, waar hagedissen de muren moeten
controleren op bouwfoutjes.
De kalkoen strekt zijn kop en klokt: ‘Ik zorg voor de bewaking. Als er gevaar dreigt, zal ik alarm slaan.’
‘En zij dan?’ wijst de hond naar de chinchilla. Die duikt in elkaar. Ze had gehoopt de dans te ontspringen, maar bedenkt zelf al snel een oplossing: ‘Wie van jullie koude poten krijgt, mag die warmen aan mijn zachte vel.’
‘Wat wordt de rol van het luie paard?’
De chinchilla weet de oplossing: ‘Als iemand te moe is, mag die lekker tegen het luipaard aanliggen.’
‘Wie kan al dat werk gaan verzetten?’ verzucht de chinchilla, die zorgvuldig haar zachte zwarte vacht poetst. Ze ziet zichzelf niet als een van de werklui en dat geldt wel voor meer bewoners.
‘Voordat ik het vergeet: we hebben een aanvraag gekregen voor het toelaten van een nieuwe bewoner: een luipaard,’ onderbreekt de voorzitter de protesten.
‘Ammenooitniet, een luipaard. Hoe kom je erbij. We hebben een werkpaard nodig!’ knort het varken. Hij wordt al snel gesteund door de giraf.
‘En wie kan alles bedenken? Dan hebben we een slimmerik nodig,’ merkt de schildpad op. ‘Ik ben er te langzaam voor.’
Na het nodige geharrewar en het brainstormen in kleine groepen komt het gezelschap tot de conclusie, dat ze toch echt meer bewoners moeten toelaten, zoals een chimpansee. Die is slim genoeg om plannen te maken, een olifant is nodig voor het zware werk van verplaatsen van de omgewoelde grond van het varken, zodat er funderingen kunnen worden aangelegd. Een kudde buffels is nodig om nieuwsgierige bemoeials op afstand te houden. De giraf heeft hulp nodig van zijn familieleden om op hoogte te kunnen werken.
De kalkoen strekt zijn kop en klokt: ‘Ik zorg voor de bewaking. Als er gevaar dreigt, zal ik alarm slaan.’
‘En zij dan?’ wijst de hond naar de chinchilla. Die duikt in elkaar. Ze had gehoopt de dans te ontspringen, maar bedenkt zelf al snel een oplossing: ‘Wie van jullie koude poten krijgt, mag die warmen aan mijn zachte vel.’
‘Wat wordt de rol van het luie paard?’
De chinchilla weet de oplossing: ‘Als iemand te moe is, mag die lekker tegen het luipaard aanliggen.’
© Vera Oor, 2026