Een week of twee geleden is ons enige schaap afgereisd naar de schapenhemel en resteren er nu nog twee geitjes en een je-weet-wel-bok. Niet dat die geiten het schaap missen. De
dierenwereld zit denk ik toch wat anders in elkaar. Geiten vinden vooral
zichzelf belangrijk. Ze duwen elkaar aan de kant om het eerst bij het eten te
zijn, ieder heeft zo zijn eigen plekje in het hok en zodra er maar een druppel
regen valt, rennen ze om het hardst naar het hok.
Vandaag weet ik wel wat ze gaan doen: warmte
opzuigen! Zodra er een streep zon te zien is, en de wei niet al te blubberig,
stappen ze naar een stukje van de wei dat afgescheiden is met een laag muurtje.
Daar liggen de drie dan te knipogen naar de zon. Zo nu en dan doen ze zich te goed aan het
gras.
Echter, deze dag wordt anders: ze zullen uit hun routine
gehaald worden, dan zal de nieuwsgierigheid overwinnen en komen ze gegarandeerd
van hun zonnebed. Het beestenspul wordt uitgebreid met een schaap met twee
lammetjes.
Eind van
de ochtend meldden zich nieuwe bewoners aan het hek: een ooi met twee lammeren. Ik heb het
gesprek eens gevolgd tussen de nieuwkomers en de oude garde.
Waarom worden mijn oren nu gecontroleerd, vraagt mama schaap zich af. “Oornummer noteren”, hoort ze de chauffeur zeggen en de laadklep gaat open. Totaal niet gehinderd door enige vorm van angst stapt ze de trailer uit en loopt langs twee mensen op richting de lokkende groene wei. ‘Kom jongens,’ spoort ze haar kids aan, een jongetje en een meisje. Afgezien van enkele witte vlekjes is het drietal intens zwart. De vacht is nog kort en lijkt op goed geborsteld suède. Moeder schaap kijkt eens nieuwsgierig in het rond en begint al rap te knabbelen aan het gras.
Waarom worden mijn oren nu gecontroleerd, vraagt mama schaap zich af. “Oornummer noteren”, hoort ze de chauffeur zeggen en de laadklep gaat open. Totaal niet gehinderd door enige vorm van angst stapt ze de trailer uit en loopt langs twee mensen op richting de lokkende groene wei. ‘Kom jongens,’ spoort ze haar kids aan, een jongetje en een meisje. Afgezien van enkele witte vlekjes is het drietal intens zwart. De vacht is nog kort en lijkt op goed geborsteld suède. Moeder schaap kijkt eens nieuwsgierig in het rond en begint al rap te knabbelen aan het gras.
‘Hallo, hallo,’
hoort ze van twee kanten en bij haar uier wordt ze omhoog geduwd door de
tweeling, ‘wij willen drinken.’
Moeder heeft nog niet de rust om te blijven staan en stapt verder, haar achterpoten wat opzij schoppend om het tweetal te verhinderen weer te gaan tanken. De tweeling blijft angstvallig in de buurt van hun moeder, maar laat geleidelijk aan hun zwaan-kleef-aan-gedrag varen en snuffelt zelf rond.
Moeder heeft nog niet de rust om te blijven staan en stapt verder, haar achterpoten wat opzij schoppend om het tweetal te verhinderen weer te gaan tanken. De tweeling blijft angstvallig in de buurt van hun moeder, maar laat geleidelijk aan hun zwaan-kleef-aan-gedrag varen en snuffelt zelf rond.
‘Help, kijk
mama wat zijn dat?’ staat het kleine mannetje ineens stokstijf en kijkt tussen
de fruitbomen door richting bruin-witte dingen. Moeder kijkt een keer op en
graast verder. ‘Niet op letten, jongens, dat zijn geiten. Domme beesten, ik heb
ze al eerder meegemaakt. Blijf maar bij mij in de buurt.’
De twee geiten vertrouwen de nieuwkomers maar niks en zetten hun rugharen overeind. Hun ogen puilen zowat uit de kassen wanneer ze, half verstopt achter boomstammen de nieuwkomers observeren.
Geleidelijk aan durven ze iets dichterbij te komen en met een omtrekkende beweging naderen ze moeder schaap en kids. Moeder heft de kop en kijkt de geit schaapachtig aan. ‘Waag het niet aan mijn kinderen te komen. Je bent gewaarschuwd,’ en ze steekt haar kop uit naar de geit, die op haar beurt de nek oprekt om wel met de neus dichter bij het schaap te komen, maar de rest van haar lijf op veilige afstand te houden. Er volgt wat neus-snuffelen en daarmee is de kennismaking beslecht en gaat ieder weer zijn eigen gang.
De twee geiten vertrouwen de nieuwkomers maar niks en zetten hun rugharen overeind. Hun ogen puilen zowat uit de kassen wanneer ze, half verstopt achter boomstammen de nieuwkomers observeren.
Geleidelijk aan durven ze iets dichterbij te komen en met een omtrekkende beweging naderen ze moeder schaap en kids. Moeder heft de kop en kijkt de geit schaapachtig aan. ‘Waag het niet aan mijn kinderen te komen. Je bent gewaarschuwd,’ en ze steekt haar kop uit naar de geit, die op haar beurt de nek oprekt om wel met de neus dichter bij het schaap te komen, maar de rest van haar lijf op veilige afstand te houden. Er volgt wat neus-snuffelen en daarmee is de kennismaking beslecht en gaat ieder weer zijn eigen gang.
Zelfverzekerd
lopen moeder schaap en kids naar het hek dat de wei scheidt van de tuin van de
buren. Mensen. O, die ken ik wel, meestal zorgen ze voor mijn eten, weet het
schaap en ze loopt onbevreesd naar het hek: naar de mensen en naar een fikse
herdershond.
‘Oké, wil jij ook ff neuzen?’ vraagt ze en ze biedt haar neus aan aan de hond, die vrolijk kwispelt.
‘Kijk jongens. Dit zijn mensen, over het algemeen wel te vertrouwen. Deze hond is ook oké, maar mocht er ooit zo’n dergelijk model, in grijze uitvoering, in de buurt van de wei komen, dan moet je maken dat je wegkomt,’ instrueert moeder de kinderen.
‘Waarom?’ wil een van de twee weten.
‘Dan is de kans groot dat je met een wolf te maken hebt, die zijn niet te vertrouwen,’ zegt ze terloops en loopt naar het andere eind van de wei. De tweeling huppelt om hun moeder heen en maken zo nu en dan een gekke bokkensprong.
‘Oké, wil jij ook ff neuzen?’ vraagt ze en ze biedt haar neus aan aan de hond, die vrolijk kwispelt.
‘Kijk jongens. Dit zijn mensen, over het algemeen wel te vertrouwen. Deze hond is ook oké, maar mocht er ooit zo’n dergelijk model, in grijze uitvoering, in de buurt van de wei komen, dan moet je maken dat je wegkomt,’ instrueert moeder de kinderen.
‘Waarom?’ wil een van de twee weten.
‘Dan is de kans groot dat je met een wolf te maken hebt, die zijn niet te vertrouwen,’ zegt ze terloops en loopt naar het andere eind van de wei. De tweeling huppelt om hun moeder heen en maken zo nu en dan een gekke bokkensprong.
Ho, remmen,
wat zijn dat nu weer,’ roept het jongetje naar zijn zus en zijn moeder.
Moeder schaap staart van een afstandje naar het hek bij een ander deel van de wei en bekijkt het drietal aan de andere kant van het hek eens goed. Dit ras kent ze nog niet, maar ze besluit dat er weinig van te duchten valt. Drie kleine hondjes, die kan ze wel aan. Bovendien zit het hek ertussen.
Dan spitst ze haar oren: een bekend geluid. Ze draait haar kop en zet een sprintje in, vergezeld van de tweeling, naar de man die iets in zijn handen houdt.
‘Schapenbrokken jongens, die moet ik hebben. Jullie zijn er nog wat te klein voor, maar later vinden jullie dat vast ook lekker.’
Een kort moment beoordeelt ze of de kust echt veilig is en hapt dan tevreden de brokjes uit de haar aangeboden hand.
Moeder schaap staart van een afstandje naar het hek bij een ander deel van de wei en bekijkt het drietal aan de andere kant van het hek eens goed. Dit ras kent ze nog niet, maar ze besluit dat er weinig van te duchten valt. Drie kleine hondjes, die kan ze wel aan. Bovendien zit het hek ertussen.
Dan spitst ze haar oren: een bekend geluid. Ze draait haar kop en zet een sprintje in, vergezeld van de tweeling, naar de man die iets in zijn handen houdt.
‘Schapenbrokken jongens, die moet ik hebben. Jullie zijn er nog wat te klein voor, maar later vinden jullie dat vast ook lekker.’
Een kort moment beoordeelt ze of de kust echt veilig is en hapt dan tevreden de brokjes uit de haar aangeboden hand.
© Vera Oor, 2024