Kraambezoek uit IJsland


Robbie ligt op zijn zij tegen enkele rotsblokken aan te genieten van de zon. Zijn grote ronde bruine ogen knipperen zo nu en dan en hij draait zich nog eens een keer goed om zodat ook zijn andere zijde wordt verwarmd en zijn velletje opdroogt tot grijsbruin fluweel. Hij is na een blessure enige tijd opgenomen geweest in het zeehondencentrum en enige weken geleden teruggezet in zijn natuurlijke leefgebied. 

Robbie geniet volop en met zijn flippers beweegt hij zich hobbelend voort langs de kustlijn om deze wat te verkennen en andere bewoners te ontmoeten. Hij knippert nog een keer en tuurt in de lucht naar het stipje wat naderbij komt.
“Hier spreekt uw gezagvoerder, de landing wordt ingezet.” 
Het stipje wordt iets groter, de zwarte neus is te zien, de witte onderzijde van de vleugels is goed te zien en het rode landingsgestel wordt uitgeklapt. Een veilige landing.
“Goedemorgen mijnheer, mijn naam is Tringa en ik kom vanuit IJsland om mijn familie te bezoeken. Mijn vrouw volgt nog. Zij pakt de volgende vlucht.”
Robbie stelt zich ook voor en vraagt of hij Tringa ergens mee kan helpen. Tringa vertelt dat in een ver verleden zijn familie zich heeft opgesplitst en dat een tak van de stamboom zich in IJsland heeft gevestigd. De andere tak is in Nederland gebleven. Hij heeft een kaartje gekregen van zijn neef Arthur, een geboortekaartje. Arthur en zijn vrouw Astrid hebben een vierling gekregen en Tringa wil nu op kraambezoek.
“Ik weet wat een opgave dat is om vier van die kleintjes op te voeden. Wij hebben het ook meegemaakt maar inmiddels zijn de kinderen allemaal uitgevlogen. 
Genoeg gepraat, ik kom later nog wel eens bij je langs voor een uitgebreider babbeltje. Kun je me helpen om het adres te vinden? Het is Meerpaalstraat nummer 14”.

Dat weet Robbie wel, hij is er wel eens langs gehobbeld tijdens zijn verkenningstochten. Een bijzonder huis. Het ligt op een kleine verhoging in duinpan 3, een kleine 700 meter naar links. Het dak bestaat uit gras en dat dak steekt maar een klein beetje boven de grond uit. Het huis zelf bevindt zich in een soort kuil in de verhoging. Eromheen is een immense tuin begroeid met helmgras en meerdere grassen en kruiden. 
Bij regen ontstaat er een vijver van zandgrond. Bij het slaapkamerraam staat lavendel in bloei. De paarsblauwe bloemetjes steken prachtig af tegen het groene dak.

Hij heeft Arthur of Astrid ook wel eens gezien, maar hij weet eigenlijk nooit wie van de twee het is. Ze lijken veel op elkaar en lopen altijd in rode hoge lieslaarzen. 
Het is Robbie opgevallen dat ze wel altijd wat vreemd lopen: bij elke stap tillen ze een van de laarzen heel hoog op en maken vervolgens een stap. Daarna gaat de andere laars omhoog voor de volgende stap. Afgezien van de rode laarzen zijn ze nogal onopvallend. Een vaalbruine jas met grijszwarte stippen hier en daar en aan de onderkant een witte rand. De capuchon is zwart en bedekt hun gedeeltelijk rode neus. Af en toe bukken ze zich snel en pakken iets van de grond, stoppen het in hun jaszak en na enige tijd verdwijnen ze weer naar binnen.
 
Tringa weet genoeg, bedankt Robbie en gaat op weg. Pletsjpletsj is het geluid dat zijn voeten maken in het natte strandzand langs de vloedlijn. Robbie kijkt hem na en merkt op dat Tringa dezelfde bijzondere manier van lopen heeft als Arthur en Astrid. Zouden ze hun looptraining gevolgd hebben bij John Cleese?
Dankzij de duidelijke uitleg van Robbie heeft Tringa al snel het huis van zijn neef gevonden en tikt aan de deur.
“Neef Tringa, wat een eer om je te ontmoeten. We waren helemaal verrast door het telegram wat je hebt gestuurd om je komst aan te kondigen. Kom snel binnen.”
Ook Astrid komt naar de deur en merkt op dat de neven echt veel op elkaar lijken. Ze zijn ongeveer even groot, hebben eenzelfde kenmerkende neus en lange benen. De benen van Tringa zijn onbedekt, maar zijn ook knalrood. 
Gedrieën lopen ze naar de kraamkamer waar de drie jongetjes en een meisje liggen. Prachtig. Ze lijken echt op hun ouders verzekert Tringa aan Arthur en Astrid. Hun beentjes zijn licht oranje, maar dat kan door de lichtinval door een kier in het dak komen. Ze kijken nog even vertederd naar het tafereeltje. 
Och ja, het kraamcadeautje. Tringa vergeet het bijna te geven. Voor alle vier een pakketje met een keur aan kleine lekkernijen en voor allemaal een dekbedje, gemaakt van donsveertjes van de IJslandse papegaaiduiker. De lange knokige beentjes van het viertal passen er met gemak onder. Het zijn dan ook extra lange dekbedjes.

Ze gaan in de woonkamer zitten, en onder het genot van een drankje verorberen ze ook een assortiment aan visjes. Astrid heeft ze met zorg uitgezocht en gefrituurd. Wetenswaardigheden over verre familieleden worden uitgewisseld en ze praten elkaar bij over hun gezinnen en leefomgeving. Maar Tringa komt niet alleen voor de kraamvisite. Hij heeft in zijn telegram laten weten ook graag een woning te willen bezichtigen die hij in de winterperiode enkele maanden wil huren. 
Arthur heeft al vooronderzoek gedaan en weet dat het in duinpan nummer 1 is, dicht bij het strand. Een drukke duinpan waar veel gezinnen overwinteren, naast de bewoners die er al wonen. Samen lopen ze op hun typische manier in de richting van het strand. 
In de verte ziet Tringa Robbie liggen en zwaait. Robbie heeft het gezien, heft zijn flipper en zwaait terug.

Het is inderdaad een drukte van jewelste in duinpan nummer 1
Zojuist is besloten om met de hele buurt een strandwandeling te gaan maken en aan de vloedlijn wat te eten. Arthur stelt Tringa voor aan enkele buurtbewoners en zij sluiten zich aan bij de stoet richting strand. 
Daar aangekomen rent iedereen op hoge poten rond en pakt zo nu en dan een kreeftje of slakje van de grond om met smaak op te eten. Dit gaat gepaard met de nodige opwinding en door elkaar praten van klein en groot. 
Robbie kijkt enigszins verstoord op van zijn rustige ligplaats en Tringa besluit naar hem toe te lopen.
“Heb je last van ons?”, vraagt hij.
“Elke dag hetzelfde”, laat Robbie weten. “De hele meute komt hier op hoge poten naar toe, alsof ze op stelten lopen en dan dat geschreeuw tjululuutjululuutjululuu. Ik word er wel eens tureluurs van.”
Tringa schiet in de lach, de tranen lopen hem langs de rood-zwarte snavel en hij slaat zich op de knokige knieën, terwijl hij op en neer trappelt met zijn tenen in het natte zand.
“Robbie, wij zíjn Tureluurs en aan onze hoge poten danken we de kwalificatie van steltloper”.


Beschermend blad

Waarom zou ik langer blijven liggen. Eruit! Vannacht heb ik de ramen wagenwijd open gehouden en de heldere zomerochtendlucht drijft de kamer...