Mijn naam is Oor

 

Als iemand ‘Veertje’ roept, kijk ik op. Hetzelfde geldt voor ‘Oortje!’. De meester op de lagere school noemde me al zo, soms vergezeld van een speels rukje aan mijn oorschelp.
Maar als ik ‘Oor!’ hoor, is het oppassen geblazen. Iemand wil dat ik nú kom, of er staat me een denkbeeldige oorvijg te wachten.
Moet ik mijn naam noemen en kennen mensen mij niet dan kan ik een vragende blik of stem verwachten waarin degene tegenover me checkt of hij het goed gehoord heeft. Niet zelden komen vragen als: ‘Van Oor, van Oort, met een t of d?’
Vergelijkbaar met de reactie die mensen met de naam Jansen vaak krijgen: ‘Met een of twee essen?’
Ik ben ze meestal voor en spel meteen mijn achternaam, O-O-R, maar zelfs dan komen verbasteringen. Pas als ik zeg: ‘Nee, zo’n ding aan de zijkant van je hoofd,’ valt het kwartje. ‘Oh, Oor!’
De oorarts keek me lachend aan toen hij mijn naam hoorde. Natuurlijk legde hij meteen de link met zijn beroep en gaf aan nog nooit eerder een Oor tegenover zich gehad te hebben.

Heel anders reageerde vijftig jaar geleden de dame van het inpandige postkantoortje bij een drogist in de wijk. Zij had die dag haar dag niet, al leek het alsof ze die eigenlijk nooit had.
Om een of andere reden had ze mijn naam nodig. Het was meer een commando dan een vraag: ‘Wat is je naam.’
‘Oor.’
‘Je naam,’ klonk het snibbige antwoord, vergezeld van een geïrriteerde blik, waarbij ze haar ogen opsloeg alsof ze om steun van boven vroeg.
‘Oor.’
Meesmuilend keek ze me aan en verborg haar ergernis niet. ‘Ja, en ík heet Neus!’
Ik was niet brutaal genoeg om haar van een passend antwoord te voorzien. Nu zou ik haar ongetwijfeld van repliek hebben gediend
.

©Vera Oor, 2026

Beschermend blad

Waarom zou ik langer blijven liggen. Eruit! Vannacht heb ik de ramen wagenwijd open gehouden en de heldere zomerochtendlucht drijft de kamer...