Een nieuw begin. Terug naar huis?

 

De chauffeur van de truck stapt uit en trekt het zeil van de trailer open. ‘Zo, we zijn er. Wie er in Nijmegen uit moet, kan nu uitstappen.’
Paul staat op, hij pakt zijn gehavende koffer bij het handvat en springt de trailer uit. De uitgestoken hand van de chauffeur heeft hij niet nodig.
‘Ik zou toch bij het station uitstappen?’ vraagt hij verbaasd nadat hij de omgeving op zich in laat werken.
‘Dichterbij kan ik niet komen. Rondom het station en verder stad inwaarts ligt het nog bezaaid met puin. Ik wens je een goede thuiskomst toe. Terug bij allen die je lief zijn…hoop ik.’
De chauffeur knoopt het zeil dicht en stapt in om verder te rijden. Op weg naar het volgende haltepunt. Paul zoekt naar herkenningspunten en kijkt alle windrichtingen op. Waar is de Stevenstoren? Waar is het station?
De kramp schiet door zijn been. Hij wankelt. De driedaagse, onafgebroken reis in de truck eist zijn tol.
De handen die zijn arm omklemmen, zijn krachtig maar niet vriendelijk. ‘Weer terug, jongeman? Vanuit Duitsland?’
Paul knikt. De neerbuigende blik, de neerhangende mondhoeken en taxerende ogen van de man ontgaan hem niet en veroorzaken een steek in zijn borst. 
‘Hm, Je ziet er nog goed uit voor iemand die “te werk is gesteld”.’
Paul slikt zijn reactie weg. Hij heeft geen energie voor discussies. Hij wil alleen weten waar hij is, waar hij heen moet. ‘Wat is er met het station gebeurd?’ vraagt hij, zijn stem schor.
‘Bombardement,’ zegt de man kortaf. ‘Net als de Stevenstoren en een groot deel van het centrum.
De greep om zijn arm verslapt. De man loopt weg zonder nog één keer om te kijken. 

Paul loopt de richting op waarvan hij denkt dat het de goede kant op is naar huis. Af en toe hapt hij naar adem als een grijze stofwolk zijn kant opwaait. De weeïge geur van dieselmotoren bezorgt hem een misselijkmakend gevoel.
Groepen mannen zijn bezig om puin en stinkend afval te verwijderen en op open wagens te laden. Een van deze wagens passeert hem, de ratelende wielen begeleid door trappelende paardenhoeven op de keien. Op andere plekken staan mannen kromgebogen over stapels stenen om die schoon te bikken. De harde slag van ijzer op steen teistert Pauls oren. De gruwelijke werkelijkheid dringt tot hem door.
 Dit beeld overtreft alles wat Paul zich in zijn gedachten en dromen had voorgesteld sinds de eerste berichten doorsijpelden dat Nijmegen zwaar getroffen was door een bombardement. ‘Durch deine Freunden, die Kaugummifresser!’ had een van de opzichters in de ijzerfabriek spottend opgemerkt.
De post die hij — onregelmatig en steeds schaarser — uit Nederland ontving, stelde hem tot dan toe gerust: zijn familie leefde nog. Maar dat veranderde toen Nijmegen later in het jaar frontstad werd. Vanaf dat moment bleef het stil. Geen brieven meer. Geen enkel teken van thuis.
De vraag die zich steeds bij hem opdrong: Is er nog wel een thuis om naar terug te keren? Wanneer komt er een einde aan deze rotoorlog?
 
Paul versnelt zijn pas en komt in een stadsdeel dat ontsnapt lijkt aan het bombardement. Geen compleet weggeslagen, maar wel beschadigde huizen. Hoe dichter hij bij de straat van zijn ouderlijk huis komt, hoe meer gehavende panden hij ziet. Ontbrekende dakpannen, dichtgetimmerde kozijnen. Het heeft meer weg van de krotwoningen in de Benedenstad dan de straten met degelijke woningen vanwaaruit hij enkele jaren geleden vertrokken is.
Hij loopt de hoek van de straat om, waar hij datzelfde aantal jaren geleden de andere kant opliep, toen met onbekende bestemming. De oproep voor de Arbeitseinsatz was niet vrijblijvend, hij móest zich melden. Onderduiken vond hij geen optie, dat zou te veel risico’s voor zijn familie met zich meebrengen.
Met trage passen, maar met torenhoge hartslag loopt hij door tot hij aankomt bij zijn ouderlijk huis. Hij trekt wit weg bij het zien van de gedeeltelijk dichtgetimmerde kozijnen. Leven ze nog? De bel naast het witmetalen bordje met het blauwe huisnummer: een moment aarzelt hij en houdt zijn vinger stil, voordat hij de bel indrukt.
Het duurt lang. Te lang. Geen geluid. Zijn maag trekt samen en hij voelt het bloed uit zijn gezicht wegtrekken. Dan opeens: geluid achter de voordeur, die op een kier geopend wordt.
Met een zwaai opent de deur zich verder en Paul voelt armen om zijn hals. De stem van zijn moeder klinkt bevrijdend in zijn oren: ‘Paul, je bent thuis!’
Zijn tranen vermengen zich met die van zijn moeder en even later met die van zijn zusjes. In een flits schiet het door hem heen dat ze groot geworden zijn, kleine dames. Ze zullen nu vijftien en zeventien jaar zijn?
 
Twee dagen later dwaalt Paul door de straten in de zo bekende wijk waar hij opgegroeid is. De woorden van zijn vader echoën nog na: dat mensen twijfelen aan de onvrijwilligheid van de Arbeitseinsatz. Dat sommigen hem zullen zien als iemand die vrijwillig is gegaan. Een collaborateur.
Zonder zich ervan bewust te zijn, bevindt hij zich in de straat waar hij heen wilde.
Het is stil. Te stil. De huizen lijken ongeschonden, maar de gesloten gordijnen geven hem een ongemakkelijk gevoel. Ineens voelt hij een warme hand in de zijne. Zijn zusje Yvonne. Ze trekt hem aan zijn jas iets achteruit.
‘Paul, wacht.’
Hij verstijft bij de intensiteit waarmee deze twee woorden uitgesproken worden en voelt iets naderbij komen waar hij nog geen naam aan kan geven, een onheilspellend voorgevoel.
Paul draait zich om en kijkt in de betraande ogen van zijn zusje Yvonne. Hij fluistert: ‘Waarom, wat is er? Is er iets gebeurd?’
‘Je wilt naar Beppie. Je was verliefd op haar he?’ Het is een constatering, geen vraag. Paul opent zijn mond om antwoord te geven, maar er ontsnapt geen woord. De dofheid in Yvonnes ogen slaat op hem over, hij hapt naar adem, pakt haar bij de schouders en schudt haar heen en weer. ‘Vertel me de waarheid.’
Yvonne fluistert: Beppie stond bij het slaapkamerraam. Op straat waren kinderen aan het spelen met iets. Een granaat bleek later. Die ging af. Door de luchtdruk sprong het raam in stukken. Beppie is geraakt door een granaatscherf. In haar hoofd.’
‘Is ze…,’ stamelt Paul terwijl hij in de ogen van Yvonne het antwoord al ziet.

©Vera Oor, 2026

Beschermend blad

Waarom zou ik langer blijven liggen. Eruit! Vannacht heb ik de ramen wagenwijd open gehouden en de heldere zomerochtendlucht drijft de kamer...