De zon doet een laatste poging om een schittering over het water te leggen, voordat hij ondergaat. De zee is gekalmeerd en trekt zich tijdens de getijdewisseling terug in de richting van de horizon.
Hein zoekt houvast aan een van de steigerpaaltjes. Hij buigt voorover om een warrige pluk zeewier van een plank te grijpen. Het groene wier vloeit over zijn hand. Tussen zijn vingers glijdt een deel er weer tussenuit.
Hein kijkt het na. Zo vloeit een leven weg, het glipt tussen de vingers door, denkt Hein en hij balt zijn vuist om het restant van de groene smurrie vast te houden.
Hein voelt niets van de kou die de schemer met zich meebrengt. Zijn gedachten zijn in de nacht van februari 1953, bijna 72 jaar geleden, bij zijn vader, Herman. Haarscherp ziet hij hem voor zich: de lange man met zijn rode, dikke haardos en handen als kolenschoppen. Zijn vader die slechts 43 jaar oud mocht worden en aan wie hij zijn leven dankt.
De man die hen zojuist aan boord getrokken heeft, hijgt: ‘We kunnen hem niet meer redden.’
Een volgende golf zwiept de boot omhoog waarbij Maria en haar zoon op de bodem van de boot gesmeten worden.
‘Hij is pas 43! Hij mag niet doodgaan,’ stoot ze uit en begraaft haar gezicht in de kruin van haar zesjarige zoon Hein.
De man keert zich van haar af om opnieuw, samen met twee andere mannen, het wateroppervlak af te zoeken. Ze zien de contouren van een stuk hout, waaraan iemand zich vastklampt, omgeven door het donkere water en ze roeien uit alle macht om de persoon te bereiken. Ze houden elkaar vast, terwijl de man in de sloep over de rand hangt om de uitgestoken hand in het ijskoude water vast te kunnen pakken. Met uiterste krachtinspanning trekken ze de drenkeling de boot in, waar die zich uitgeput laat vallen naast Maria en de jongen en een eveneens uit het water gehesen drijfnatte, trillende hond.
Contouren van huizen trekken aan hun blikveld voorbij, spookachtig gedeeltelijk onzichtbaar onder water. Boomkruinen lijken te ontspruiten uit water, zover het zicht reikt. Een molen mist een van de wieken. Een dode koe drijft als een stuurloos schip.
Wanneer de sloep de gedeeltelijk overspoelde kade bereikt, worden de drenkelingen eruit geholpen en ze krijgen een deken om hun koude, verstijfde lijf. Ondersteund door helpende handen, worden ze begeleid naar een opvangplek waar slachtoffers wezenloos bij elkaar zitten. Hun ogen lichten kort op wanneer er nieuwe overlevenden binnenkomen, hopend op een wonder dat ook hun liefsten gered zijn. De sloep vertrekt onmiddellijk weer ‘met zijn bemanning, die hoopt meer hulp te kunnen bieden.
De avond ervoor was Herman met zijn vrouw en zesjarige zoon naar de zolder gevlucht. Het woeste water was het huis binnengestroomd en steeg snel. De bulderende wind joeg om het huis heen en gierde door de vele kieren naar binnen. Dakpannen waaiden van het huis en boven hen hing de onheilspellende, zwarte lucht.
De volgende ochtend kon het dak geen weerstand meer bieden aan het natuurgeweld en werd van het huis geslagen. Herman, zijn vrouw Maria en zijn zoon Hein keken uit over een omgeving die onherkenbaar was geworden. In de verte zagen ze de kerktoren, die eenzaam in het water stond. Herman knoopte haastig een laken aan een van de balken, zoals hij ook zag bij enkele andere woningen.
‘Nu kunnen ze ons vinden en worden we opgehaald,’ zei hij om Hein gerust te stellen, die met zijn handen over zijn oren en met wijd opengesperde ogen tussen de armen van zijn moeder zat.
En toen, met veel gekraak en geschuur, stortte het dak gedeeltelijk in. Herman schreeuwde om zijn inspanning kracht bij te zetten. Hij beukte tegen een van de steunbalken, die al doormidden gebroken was, om de laatste splinters te kraken. Het lukte.
‘Maria, Hein, op de balk zitten en je vast blijven houden. Als het water ons bereikt, kunnen we blijven drijven,’ kreunde hij.
‘Maar jij, Herman? De balk is te klein,’ hoorde Hein zijn moeder roepen.
Even later dreven ze in het water. Herman omklemde het uiteinde van de balk.
‘Pa, ga je mee?’
Zijn zoon, Herman, legt een stevige, grote hand beschermend over zijn vaders schouders.
De wind blaast de rode haren uit zijn gezicht, het gezicht dat lijkt op de voor hem onbekende, heldhaftige opa, die hij alleen uit de verhalen kent. Foto’s van zijn opa zijn er niet en ook niet van de jonge jaren van zijn vader. Vanavond begint zijn dienst als vrijwilliger bij de KNRM, zoals zijn vader ook jaren gedaan heeft.