De bosrand rukt meer en meer op naar het midden en
het bos wordt kleiner. De oude bomen hebben plaats moeten maken voor nieuw aan
te leggen fietspaden. Het rode kruis, dat aangeeft dat er weer een boom gekapt
moet gaan worden, is gevreesd.
Bosdieren kijken hoopvol naar blauwe kruisen of stippen, die betekenen dat de boom nog mag blijven staan. Stormen hebben ook hun tol geëist en de nodige dunne bomen die altijd beschut stonden, krijgen nu de wind van voren en knakken als luciferhoutjes.
De oude boom, die al heel wat jaarringen heeft opgebouwd, staat nog fier overeind. De reden: een blauwe stip. Het houten deurtje onder aan de stam is duidelijk zichtbaar voor wie heel goede ogen heeft. Van dichtbij lijkt het een grote deur, maar in verhouding tot de grote stam, is het amper te zien. Tenminste, voor mensen.
Vroeg in de ochtend klopt een eekhoorn aan. Het
deurtje blijft gesloten maar hij hoort ‘Pst, hierheen,’ en hij hipt naar de
achterkant van de boom waar een andere deur op een kier voor hem geopend wordt.
Deze is zo kunstig verwerkt in de schors van de boom, dat het nooit gezien kan
worden, voor wie het niet weet. Pluum, de eekhoorn, begroet de statige haas die
de deur voor hem geopend heeft en loopt achter hem aan. De haas stelt zich voor
als Bertus, de boombeheerder en vraagt naar de reden van zijn komst.
Pluum staat te trillen op zijn pootjes en komt amper uit zijn woorden wanneer hij de aanleiding van zijn bezoek vertelt: ‘Gisteren ben ik opgeschrikt door die mensen met de grote kettingzagen. Ik wist wel dat er een rood kruis op mijn boom geschilderd stond, maar ik had er niet op gerekend dat die nu al aan de beurt zou zijn. Op het allerlaatste moment kon ik een sprong maken naar een naastgelegen boom en vandaaruit heb ik mijn hele hebben en houden tegen de grond zien slaan. Mijn voedselvoorraad, mijn nest, alles is weg.’
Bertus onderbreekt de eekhoorn en geeft hem een kopje eikelthee. ‘Hier, kom eerst even tot rust. Hier ben je veilig. Ik loop even mijn ronde en ben zo bij je terug.’
Pluum gaat op een boomwortel zitten en klappertandend drinkt hij zijn kopje leeg. Hij springt overeind als Bertus weer binnenkomt.
‘Dus jij bent ook al slachtoffer,’ constateert die en een van zijn lange oren knikt dubbel bij zijn driftige kopbeweging. ‘Hoe wist je van deze daklozenopvang?’
‘Vorige week kwam ik mijn oude buurman, Piep de bosmuis, tegen, die vertelde dat hij hier nu woonde. De boom waaronder hij tussen de wortels een nestje had, was geveld. Hij heeft uitgelegd waar deze boom stond ‘voor het geval dat.’
‘Vooralsnog hebben we hier nog voldoende
opvangplekken,’ stelt Bertus hem gerust. We zagen deze rampspoed aankomen en
hebben met een grote groep hazen deze immense boom voorbereid op de toekomst,
die nu met de dag dichterbij komt. Allereerst hebben we met hulp van spechten
en bevers gangen gegraven in het binnenste van de boom, die doorlopen tot in de
top. Om hogerop te komen loopt in het midden een kunstig afgeknabbelde trap
omhoog. Aan de zijkanten van de gangen hebben we kamers ingericht, die bewoond
kunnen gaan worden.
Om te voorkomen dat deze boom om zou vallen omdat hij grotendeels uitgehold was, hebben we op een bouwplaats in de buurt betonijzer en snelbeton gestolen en de hele binnenzijde verstevigd. Mocht het moment ooit komen, dat ze besluiten deze boom te vellen, dan gaat ze dat niet lukken. De zagen breken af op het betonijzer.’
‘Vorige week zag ik nog een rood kruis hier,’ valt Pluum hem in de rede. Bertus knikt en gaat verder: ‘Klopt, maar het is niet gebleven bij betonijzer en snelbeton, we hebben ook een pot blauwe verf meegesleept. Zodra die mensen een rood kruis geschilderd hadden, hebben wij het overgeschilderd met blauwe verf. Kom, ik laat je je kamer zien. Overigens, heb je nog familie?’
Pluum knikt: mijn vrouw Pluis is zwanger. Zij wacht tot ik haar kom halen als het veilig is.’
‘Oké, dan heb je iets meer ruimte nodig. Volg me maar.’
Ze huppen de trap naar de eerste verdieping op, ter hoogte van de eerste zijtak aan de boom en Bertus opent een deur. Pluum staat sprakeloos. Een minipaleisje treedt hij binnen. Er staan kleine stapelbedden met kleurige dekbedden van pluizige onderwol van verschillende dieren. ‘Die zijn voor jullie jongen,’ verduidelijkt Bertus ten overvloede. Hij loopt om een ronding in de kamer en daar ziet Pluum een uitnodigend nest waar hij en Pluis kunnen liggen. Een klein rond raampje biedt uitzicht op de zijtak, waar een roodborstje fier rechtop zijn liedje fluit.
De tranen rollen Pluum over de wangen en hij grijpt de poten van Bertus om hem te bedanken voor deze gastvrije ontvangst. Bertus laat hem de rest van de boom zien en vraagt Pluum om een krabbel te zetten onder de huurovereenkomst. De huur voor een eekhoorn bedraagt: 10 eikels en 1 dennenappel per maand. Andere dieren hebben andere betaalmiddelen, afhankelijk van hun specialiteit en hun vaardigheden.
De familie mier bijvoorbeeld, melkt hun luizen en zorgt elke dag voor verse melk op de gezamenlijke ontbijttafel voor de boombewoners.
‘O ja, dit zou ik bijna vergeten,’ vult Bertus nog aan: ‘Van elke bewoner wordt uiteraard de medewerking verwacht in het redden van andere bomen om ons heen én, ook al kom je een bewoner tegen, die tot nu toe door jou opgegeten zou worden, zoals een rups, die laat je met rust!’
Bosdieren kijken hoopvol naar blauwe kruisen of stippen, die betekenen dat de boom nog mag blijven staan. Stormen hebben ook hun tol geëist en de nodige dunne bomen die altijd beschut stonden, krijgen nu de wind van voren en knakken als luciferhoutjes.
De oude boom, die al heel wat jaarringen heeft opgebouwd, staat nog fier overeind. De reden: een blauwe stip. Het houten deurtje onder aan de stam is duidelijk zichtbaar voor wie heel goede ogen heeft. Van dichtbij lijkt het een grote deur, maar in verhouding tot de grote stam, is het amper te zien. Tenminste, voor mensen.
Pluum staat te trillen op zijn pootjes en komt amper uit zijn woorden wanneer hij de aanleiding van zijn bezoek vertelt: ‘Gisteren ben ik opgeschrikt door die mensen met de grote kettingzagen. Ik wist wel dat er een rood kruis op mijn boom geschilderd stond, maar ik had er niet op gerekend dat die nu al aan de beurt zou zijn. Op het allerlaatste moment kon ik een sprong maken naar een naastgelegen boom en vandaaruit heb ik mijn hele hebben en houden tegen de grond zien slaan. Mijn voedselvoorraad, mijn nest, alles is weg.’
Bertus onderbreekt de eekhoorn en geeft hem een kopje eikelthee. ‘Hier, kom eerst even tot rust. Hier ben je veilig. Ik loop even mijn ronde en ben zo bij je terug.’
Pluum gaat op een boomwortel zitten en klappertandend drinkt hij zijn kopje leeg. Hij springt overeind als Bertus weer binnenkomt.
‘Dus jij bent ook al slachtoffer,’ constateert die en een van zijn lange oren knikt dubbel bij zijn driftige kopbeweging. ‘Hoe wist je van deze daklozenopvang?’
‘Vorige week kwam ik mijn oude buurman, Piep de bosmuis, tegen, die vertelde dat hij hier nu woonde. De boom waaronder hij tussen de wortels een nestje had, was geveld. Hij heeft uitgelegd waar deze boom stond ‘voor het geval dat.’
Om te voorkomen dat deze boom om zou vallen omdat hij grotendeels uitgehold was, hebben we op een bouwplaats in de buurt betonijzer en snelbeton gestolen en de hele binnenzijde verstevigd. Mocht het moment ooit komen, dat ze besluiten deze boom te vellen, dan gaat ze dat niet lukken. De zagen breken af op het betonijzer.’
‘Vorige week zag ik nog een rood kruis hier,’ valt Pluum hem in de rede. Bertus knikt en gaat verder: ‘Klopt, maar het is niet gebleven bij betonijzer en snelbeton, we hebben ook een pot blauwe verf meegesleept. Zodra die mensen een rood kruis geschilderd hadden, hebben wij het overgeschilderd met blauwe verf. Kom, ik laat je je kamer zien. Overigens, heb je nog familie?’
Pluum knikt: mijn vrouw Pluis is zwanger. Zij wacht tot ik haar kom halen als het veilig is.’
‘Oké, dan heb je iets meer ruimte nodig. Volg me maar.’
Ze huppen de trap naar de eerste verdieping op, ter hoogte van de eerste zijtak aan de boom en Bertus opent een deur. Pluum staat sprakeloos. Een minipaleisje treedt hij binnen. Er staan kleine stapelbedden met kleurige dekbedden van pluizige onderwol van verschillende dieren. ‘Die zijn voor jullie jongen,’ verduidelijkt Bertus ten overvloede. Hij loopt om een ronding in de kamer en daar ziet Pluum een uitnodigend nest waar hij en Pluis kunnen liggen. Een klein rond raampje biedt uitzicht op de zijtak, waar een roodborstje fier rechtop zijn liedje fluit.
De tranen rollen Pluum over de wangen en hij grijpt de poten van Bertus om hem te bedanken voor deze gastvrije ontvangst. Bertus laat hem de rest van de boom zien en vraagt Pluum om een krabbel te zetten onder de huurovereenkomst. De huur voor een eekhoorn bedraagt: 10 eikels en 1 dennenappel per maand. Andere dieren hebben andere betaalmiddelen, afhankelijk van hun specialiteit en hun vaardigheden.
De familie mier bijvoorbeeld, melkt hun luizen en zorgt elke dag voor verse melk op de gezamenlijke ontbijttafel voor de boombewoners.
‘O ja, dit zou ik bijna vergeten,’ vult Bertus nog aan: ‘Van elke bewoner wordt uiteraard de medewerking verwacht in het redden van andere bomen om ons heen én, ook al kom je een bewoner tegen, die tot nu toe door jou opgegeten zou worden, zoals een rups, die laat je met rust!’
©Vera Oor, 2024