Een roestige fiets

 

Eerder lag hier de oprit van de veerstoep. Met de pont naar de overkant van de rivier was een geliefd uitje. Inmiddels is de pont buiten gebruik en heeft ook de veerstoep zijn functie verloren. De weg erheen eindigt nu bij een houten hek waarachter enkele schapen in de uiterwaarden aan weerszijden van de weg grazen. Het bankje en de prullenbak getuigen nog van de wachttijd op de pont. Vrijwel niemand neemt de moeite om na het bord “Einde weg” nog door te rijden naar beneden om vervolgens weer om te moeten draaien.
Weer of geen weer, elke dag om drie uur loopt een kromgebogen man, steunend op zijn stok, behoedzaam de weg naar beneden. Het grind kan verraderlijk glad zijn en hij zet weloverwogen zijn voeten neer voor de volgende stap. Is het de grijze rivier op de achtergrond, het verdroogde gras of de onbarmhartigheid van de brandende middagzon, die een triest gevoel van eenzaamheid omhoog laat borrelen als je de man ziet lopen?

Als hij bij het bankje aankomt, laat hij zijn stok los, houdt aan de zijkant de leuning vast en laat zich zakken tot hij zit. De diepe zucht die hij slaakt, is van afstand zichtbaar als hij zijn bovenlichaam wat strekt. Hij zit en kijkt voor zich uit of kijkt hij voor zich uit en zit?Een kort moment twijfel ik, maar dan besluit ik ook op het bankje plaats te nemen, op enige afstand van de man.

‘Goedemiddag,’ zeg ik.
Hij draait zich niet om en geeft ook geen antwoord. Het voelt ongemakkelijk, maar ik blijf toch zitten. Ik wil even wat drinken en eten, voordat ik verder ga. Het ritselen van het boterhamzakje verstoort de stilte. Hier zit ik dan, naast een onbekende, die in de verte tuurt en onwillekeurig volg ik zijn voorbeeld.

Het knerpende grind klinkt onnatuurlijk hard als ik opsta en mijn boterhamzakje in de prullenbak gooi. Pas nu valt mijn oog op het fietswrak.
‘Zo, die ligt hier al een tijd zo te zien,’ constateer ik hardop.
‘Twee dagen,’ krijg ik ineens een onverwacht antwoord.
Ik kijk opzij, recht in de uitdrukkingsloze ogen van de man.
‘En daarvoor in de rivier, op de kop af een jaar vandaag.’
Mijn nieuwsgierigheid wordt geprikkeld door deze laatste opmerking. ‘Was de fiets een jaar geleden gestolen en in het water gegooid of zo?’
‘Nee, erin gereden.’
‘Dat zal hij niet uit zichzelf gedaan hebben,’ ontglipt me de opmerking waarna de man zijn hoofd met een ruk opricht: ‘Nee, met mijn zoon erop.’
Waarom weet ik niet, maar uit de wegstervende laatste woorden van hem maak ik op, dat er meer achter zit en ik kijk hem beschaamd aan.
‘Hij is in het donker de veerstoep afgereden. De straatverlichting was kapot en hij is het zwarte water ingereden.’
Ik kan me nog net beheersen om een volgende vraag te stellen. Dat zou ongepast zijn, voel ik wel aan en ik laat de stilte die volgt op zijn laatste zin even voortduren.
‘Ze hebben hem de volgende ochtend gevonden, aan de rand van het water. In zijn borstzak zat de ring waarmee hij onderweg was naar zijn vriendin. Hij was zo vervuld van zijn plan, dat hij me dat verklapte voordat hij vertrok.’
Een schaap mekkert in de verte en het water klotst tegen de voormalige veerstoep.
‘Hij was al de tweede in een half jaar tijd, die laat op de avond de overgang tussen de donkere weg en het zwarte water niet opmerkte. Ze hebben de verlichting nooit gerepareerd omdat de pont toch uit de vaart genomen zou worden.’
Ik laat de woorden en de betekenis hiervan voor deze man op me inwerken.
‘Twee dagen geleden is de fiets gevonden.’
‘Wat confronterend voor u dat die dan nog hier ligt.’
‘Nee, dat is op mijn verzoek. Vandaag is het een jaar geleden dat hij me voor het laatst toezwaaide toen hij wegfietste. Morgen wordt de fiets weggehaald.’


©Vera Oor, 2024

Verhaal geschreven n.a.v. een foto van een bankje met een roestige fiets ernaast

Beschermend blad

Waarom zou ik langer blijven liggen. Eruit! Vannacht heb ik de ramen wagenwijd open gehouden en de heldere zomerochtendlucht drijft de kamer...