Hij vergat te krijsen, zo snel ging het.
Ik zal zo’n zes jaar zijn geweest. Mijn broertje was, en is nog steeds natuurlijk, een jaar jonger dan ik. Geen idee of er destijds al traphekjes bestonden. In ieder geval stond er boven aan de trap bij ons thuis geen.
Op een gegeven moment: kaboem, kaboem. Mijn broertje stuiterde de
trap af. Het ging zo snel dat hij vergat te krijsen, wat hij inhaalde zodra hij
beneden aangekomen was. Ik stond verstijfd bovenaan de trap te kijken en liep
tree voor tree naar beneden om de schade aan mijn broertje op te nemen.
Onderwijl kwam ook mijn moeder aangestoven. Haar handen afvegend aan het
schort, lijkbleek, rende ze naar mijn broertje en bukte zich om te kijken hoe
hij er aan toe was. Gelukkig kon ze al snel constateren dat er niks gebroken
was en de schade dus mee viel. Mijn broertje herpakte zich en liep nasnikkend
achter moeder aan naar de huiskamer.
“Hier, voor de schrik”.
We kregen allebei een snoepje. Niet alleen het slachtoffer, maar
ik ook. Dat hebben we goed onthouden.
Mijn broertje, zin in een snoepje, ging boven aan de trap staan.
Daar begon hij alvast met schreeuwen voordat hij zich vakkundig de trap af liet
vallen. Omdat ik wist wat er ging gebeuren, kon ik vanaf het begin op volle
sterkte meeblèren.
Het werkte. De situatie van de vorige keer herhaalde zich en weer
kregen wij voor de schrik een snoepje.
Ik denk dat deze theatrale val, waarbij mijn broertje eindigde op
de loper in de gang, nog een of twee keer met succes herhaald is. Totdat zelfs
mijn moeder het gekrijs wel overdreven leek te vinden en wij eerder bij de
snoeptrommel stonden dan dat zij naar de kamer kon lopen.
