Het gesprek van de week: temperatuur -5, gevoelstemperatuur vele malen lager.
Snel stap ik, goed ingepakt, in de auto. Meteen de
stoelverwarming en de blower aan. Na enkele minuten begint het aangenamer te
worden. Die paar minuten duren best lang, beklaag ik mezelf.
Onderweg schiet het beeld van mijn ouders voorbij in de
koude winters.
Mijn vader dagelijks op de fiets naar zijn werk, weliswaar
in een dikke jas, met handschoenen aan en zijn kenmerkende blauwe alpinopetje,
dat niet eens de oren bedekte.
Grijze, hoge sokken, die oma nog steeds voor hem breide: op
meerdere pennen en het laatste draadje afgekant bij de tenen, waar het een
puntje vormde. Ondanks dat gebeurde het toch dat mijn vaders charmante, dunne,
melkwitte kuiten ontbloot werden tijdens het fietsen.
Wanneer hij ’s avonds thuiskwam, was het eerste wat hij
deed: de jas en schoenen uit. Handenwrijvend stond hij bij de kachel, onderwijl
met zijn ene voet de andere wrijvend om ook daar de doorbloeding op gang te krijgen.
Mijn moeder in haar dunne nylons, die met een jarretel op
zijn plaats gehouden werden, stapte op de fiets om boodschappen te doen. De camel
kleurige suède winterjas met dunne binnenvoering zal niet heel veel kou
tegengehouden hebben. Een dun sjaaltje tussen de revers en de kraag en eenzelfde
soort sjaaltje (zo’n driehoek waarvan de punten onder de kin geknoopt werden)
om het hoofd.
Niks geen broek (dat droegen dames niet), dikke sokken,
warme trui, wanten of een gebreide muts tot over de oren, met pompon. En laarzen?
Nee, onder een rok hoorden damesschoenen met een klein hakje.
Wij als kinderen werden wel goed ingepakt met jas, muts,
warme sokken en schoenen. O ja, en wanten, aan elkaar verbonden met een touwtje
door de mouwen.
Hoezo koud hebben bij -5 in een warme auto?
©Vera Oor, 2024
Geplaatst op pagina Gastschrijvers Gelderlander