Onrust op de camping

 

Mare rommelt nog wat in de tent terwijl Erik de voortent uitloopt en zijn laatste restje slaap uitademt. Hij rekt zijn armen boven zijn hoofd alsof hij de opkomende zon aan wil raken.
Het is nog vroeg en over de camping hangt nog een relatieve rust. Verderop blaft een hond, het grind knerpt onder de teenslippers van een man die voorbijloopt. De handdoek over zijn arm en de bungelende toilettas aan zijn hand verraadt waarnaar hij onderweg is.
De deur van de kleine, oude caravan tegenover de tent van Mare en Erik zwaait open waarbij de slierten van het vliegengordijn naar buiten wapperen. Eerst verschijnt de stok, dan een been en daarna het andere been en de romp van een vrouw. Ze is al op leeftijd en de kreukels in haar gezicht zijn niet alleen van de slaap. Als ze Erik ziet staan, knikt ze hem vriendelijk toe.
 
Plotseling wordt de stilte doorbroken door loeiende sirenes en een aanhoudend geluid als van een autoclaxon. Mare steekt haar hoofd verschrikt naar buiten. ‘Wat is er? Waarom loeit die sirene?
Op hetzelfde moment licht het scherm van haar telefoon op en ze leest snel het bericht wat erop verschijnt.
‘Erik, Erik, we moeten weg.’ roept ze en hapt naar adem. ‘Brand.’
Erik voelt zijn telefoon trillen in zijn broekzak, een onheilspellend trillen na de woorden van Mare.
Nu leest hij zelf het sms alert waarin alle campinggasten opgeroepen worden zich te melden bij de entree van de camping. “Neem alleen de hoognodige spullen mee zoals geld, id gegevens en medicijnen. Tent en caravan laten staan. Er is een natuurbrand uitgebroken. Help elkaar waar nodig en luister naar de instructies van het personeel.”
Zowel Mare als Erik hebben bij hun werk oefeningen meegemaakt van ontruimingen en handelen zoals opgedragen. Dan valt zijn oog op de buurvrouw die in alle rust een slok van haar ochtendthee neemt.
‘Mare, kom mee. We moeten de buurvrouw waarschuwen en helpen,’ roept Erik als hij zich realiseert dat zij misschien geen telefoon heeft. In enkele stappen staat hij naast de tafel. ‘We moeten weg hier,’ zegt hij. ‘U moet uw spullen pakken.’
Ze kijkt hem aan en gebaart naar haar oor. ‘Ik heb mijn gehoorapparaat nog niet in. Even wachten.’
Ze graait in haar tas en friemelt het hoorapparaat in. ‘Wat zeg je, jongen?’
Als zijn boodschap tot haar doordringt, begint ze te trillen over haar hele lijf. Ze wil opstaan, maar valt weer terug in haar stoel.
‘Ik help u,’ zegt Erik. Op zijn vraag of ze medicijnen heeft, wijst ze op haar tas. ‘Alles zit erin, ook mijn geld.’
‘Waar is uw man? Ligt die nog op bed?’
‘Die is verse broodjes halen. Hij komt zo terug.’
 
Er voegen zich meerdere sirenes toe aan het eerdere geluid. Het is het onheilspellende geluid van brandweersirenes en over de paden rennen campinggasten voorbij. Enkelen zijn zo te zien in hun slaap gestoord. Haren als een stekelvarken, dikke wallen onder de ogen.
Een kind krijst terwijl het meegesleept wordt door zijn moeder. Zijn vader heeft een ander kind op de arm. Waar de ene persoon rustig probeert te blijven, huilt een ander uit alle macht en kijkt verwilderd om zich heen, bang dat rode vlammen tussen de tenten en caravans de achtervolging inzetten.
 
Erik en Mare blijven bij de vrouw en lopen in haar tempo met haar mee. Ze blijft verbazingwekkend rustig en laat de paniek niet de overhand nemen. Dat is anders bij de man die op hen afgerend komt met een zwabberende plastic zak in zijn hand. Zijn ogen puilen bijna uit hun kassen.
Als hij het drietal ziet, ontsnappen de tranen en lopen vrijuit over zijn wangen. Hij laat de zak vallen en laat de woorden van Erik op zich inwerken. Dat ze alle benodigde medicijnen en geld bij zich hebben, maar dat het nu zaak is naar de ingang te lopen.
‘Maar de caravan dan?’ vraagt hij hijgend.
Erik probeert zijn geduld te bewaren en antwoordt zo rustig mogelijk: ‘Mijnheer, daar hebben we de tijd niet voor. Iedereen moet zijn tent of caravan laten staan. Een brand is onvoorspelbaar en het belangrijkste is dat u en uw vrouw veilig zijn.’
Eenmaal bij de ingang kijken ze verbijsterd naar de rookkolommen die boven de bomen de lucht inklimmen. Rook prikkelt hun keel.

©Vera Oor, 2026

Geen opmerkingen:

Een reactie posten

Laat hier je reactie achter.

Dag 1 Oostenrijk, 24 september

Het is 01.45 als ik bij een wildvreemde man in de auto stap om anderhalf uur later langs de autoweg in Duitsland gedropt te worden. De taxic...