De vorige poging is helaas mislukt. De aasgieren waren me voor en mijn plannen verdwenen naar de reservebank. Dit keer gaat het gegarandeerd lukken. Ik heb ze te pakken en ze gaan eraan! Ik zit er klaar voor, mijn hulpmiddelen in de aanslag. Ik breng de eerste slag toe en priem in het zachte vlees tot ik enige weerstand voel. Doorduwen en het rood drupt langs mijn vingers. Ik geniet van het geluid evenals de zoete geur die er nu opstijgt.
De bel. Nee, niet nu, ik wil doorgaan. Ik besluit
niet naar de poort te lopen. Het zal wel een pakketbezorger zijn. Dat pakje is
er morgen ook nog wel, mijn slachtoffers zijn morgen echter minder bruikbaar
dan vandaag. Plotseling staat de bezorger voor het raam. Hij weet dat ik de bel
niet altijd hoor en hij zal ongetwijfeld enige beweging hebben gezien. Met zijn
hand boven zijn ogen om de schittering in het glas af te schermen, kijkt hij
naar binnen.
Inderhaast probeer ik mijn hand zodanig te draaien
dat hij het niet ziet, maar het is te laat. Zijn ogen puilen bijna uit zijn
kassen en hij spert ze zover mogelijk open, waarin ik een mix van angst,
verbazing en verwarring ontwaar. Mijn uitdagende blik ontmoet zijn ontzetting.
Ik móet nu openmaken om erger te voorkomen en ik kom overeind
om hem te woord te staan. Het rood druipt van mijn handen langs mijn benen en
steekt fel af tegen de witte broek. Verbergen heeft geen zin meer en ik breng
mijn hand naar de deurknop. De man deinst achteruit, gooit het pakketje voor de
deur en rent terug naar zijn auto. Dit gaat fout. Ik zie nog net dat hij de
telefoon pakt, voordat hij gas geeft en met een hand aan het stuur de weg
opdraait. Verdomme, hij gaat een bericht de wereld insturen waarvan ik niet wil
dat dit gebeurt. Het mag niet bekend worden. Nóg niet, het juiste tijdstip
daarvoor bepaal ik!
Stoppen en het bewijsmateriaal proberen te
verstoppen heeft nu geen zin meer. Het rood vloeit over in mijn nagelriem en
vloeit verder over de rode nagellak. Ik besluit mijn werk af te maken en hak er
nogmaals op in. De hoeveelheid vlees om me heen groeit. Het is genoeg geweest.
Mijn gereedschap spoel ik af onder de keukenkraan.
In de verte hoor ik de sirenes, dat had ik wel
verwacht na de snelle aftocht van de bezorger. Hij heeft natuurlijk uit de
doeken gedaan wat hij gezien heeft en de hulpverleningsinstanties zullen
massaal zijn ingezet. De politieauto remt scherp af in het grind. Mijn man en
zijn collega stappen uit, de andere auto’s volgen. Iets verderop zie ik een
zwarte wolk tussen de bomen in de boomgaard opstijgen, aangewakkerd door de
herrie van de sirenes en opspattend grind.
Mijn handen heb ik afgespoeld maar de bewijzen kan
ik niet wegwerken. Ik ben erbij.
‘Handen omhoog,’ en daar staat een agent voor me,
zijn pistool op me gericht.
Ik doe wat hij vraagt en zijn blik op mijn kleding
zegt genoeg: hij is overtuigd van een heterdaadje en voelt zijn promotie
naderbij komen.
‘U wordt verdacht van letsel toebrengen, dan
wel moord op een tot nu toe onbekend slachtoffer, waarvan het bloed
klaarblijkelijk op uw kleding zit. Alles wat u zegt kan en zal tegen u gebruikt
worden.’
Ik ben helemaal niet van plan om me te verdedigen,
ervan overtuigd dat ik zelfs zonder borgtocht binnen no time op vrije voeten
zal zijn.
Op het moment dat hij mij in de boeien wil slaan, stuift ook mijn man
naar binnen. Hij overziet met één blik de situatie en barst in een
onbedaarlijke lach uit. Hij probeert zijn waardigheid te handhaven, zoals die
past bij zijn uniform in een situatie als deze, maar mislukt daarin.
‘Laat maar los John. Ik weet wat er aan de hand
is.’
Hij wijst naar de grote pan op het fornuis en naar
de hoeveelheid jampotjes op het aanrecht.
‘Dit jaar heeft mijn vrouw het gewonnen van haar
vijanden, die haar vorig jaar voor waren en de hele boom in drie kwartier leegvraten. De zwarte wolk die we zojuist zagen, was een wolk van
spreeuwen, de aasgieren, die teleurgesteld wegvlogen bij de lege kersenbomen.’
Zijn collega kijkt hem vragend aan en twijfelt aan
het realiteitsbesef van zijn collega, die zijn relaas vervolgt: 'Ze heeft op
tijd de kersen geplukt en ze ontpit. Helaas is het ontpitten van de kersen een
vies karweitje waarbij het rode sap in alle poriën kruipt en zijn sporen
nalaat, die er niet een twee drie afgewassen kunnen worden, wat overigens wel
lukt bij haar gereedschap: de kersenontpitter.’
Ik durf langzaam mijn armen te laten zakken en
richt me tot mijn man: ‘Mijn wraak op de spreeuwen is zoet dit jaar: vijftien
potjes met kersenjam! Het moest een verrassing voor jou zijn, vanavond bij de
pannenkoeken.’
©Vera Oor, 2024
