Finn zit bij
een grote heuvel, onbeweeglijk. Enkele familieleden houden hem continue in de
gaten.
‘Wat heeft hij toch? Is hij ziek?’ vraagt een van hen zich hardop af.
De anderen halen hun schouders op en gaan over tot de orde van de dag. Ze nemen er uitgebreid de tijd voor elkaar te vlooien. De plukjes haar van de ander duwen ze uit elkaar en pulken er met twee vingers huidschilfers tussenuit, die ze vervolgens in hun bek stoppen.
Een ander ligt languit op zijn rug, zijn achterpoten wijd gespreid en de armen achter de kop gevouwen. Daar is het dan ook heerlijk weer voor. De zonnestralen vallen gefilterd door het dikke bladerdak op de bodem en bereiken de buik van de rustende aap. Af en toe beweegt hij loom zijn kop, trekt met zijn lange armen zijn voet naar zich toe en begint aan een uitgebreide inspectie van zijn voetzool.
De rest van de groep apen zit verspreid door het struikgewas en in de bomen, breken daar takjes en knabbelen het groen ervan af.
Het kleine grut verstoort de rust door overal tussendoor, op en af te springen. Behendig zoals alleen een aap dat kan.
‘Wat heeft hij toch? Is hij ziek?’ vraagt een van hen zich hardop af.
De anderen halen hun schouders op en gaan over tot de orde van de dag. Ze nemen er uitgebreid de tijd voor elkaar te vlooien. De plukjes haar van de ander duwen ze uit elkaar en pulken er met twee vingers huidschilfers tussenuit, die ze vervolgens in hun bek stoppen.
Een ander ligt languit op zijn rug, zijn achterpoten wijd gespreid en de armen achter de kop gevouwen. Daar is het dan ook heerlijk weer voor. De zonnestralen vallen gefilterd door het dikke bladerdak op de bodem en bereiken de buik van de rustende aap. Af en toe beweegt hij loom zijn kop, trekt met zijn lange armen zijn voet naar zich toe en begint aan een uitgebreide inspectie van zijn voetzool.
De rest van de groep apen zit verspreid door het struikgewas en in de bomen, breken daar takjes en knabbelen het groen ervan af.
Het kleine grut verstoort de rust door overal tussendoor, op en af te springen. Behendig zoals alleen een aap dat kan.
Het jongste aapje, Lily, trekt zich terug uit de drukte van het spelen en
rennen en loopt naar Finn.
Op korte afstand gaat ze zitten en kijkt, net als Finn, naar de heuvel van blad en tak. Seconden worden minuten en minuten worden een kwartier. Het kleine ding begint haar geduld te verliezen en loopt voorzichtig naar haar soortgenoot. Wat zie je, Finn?’ vraagt ze. ‘Ik zie alleen maar zand en grassprietjes. Ben je ziek?’
Finn kijkt naar het kleintje en wenkt Lily dichterbij. ‘Nee hoor, ik ben niet ziek. Kom eens dichterbij, dan zal ik je wat laten zien. Je weet wat termieten zijn, hè?’
‘Ja, die zijn lekker!’ knikt Lily bij haar eenvoudige antwoord.
‘Dit is het huis van de termieten,’ legt Finn uit. ‘Kijk maar goed. Je zult zien dat er termieten inkruipen.’
Nu ze erop gewezen is, ziet Lily ook de termieten die verdwijnen in de heuvel.
‘Kijk goed wat ik doe, dan mag je het straks ook eens proberen.’ Finn pakt een lange tak knabbelt de blaadjes eraf, en priemt de kale tak in de heuvel. Hij draait hem rond en trekt hem er langzaam weer uit.
Lily kijkt verwonderd als ze ziet hoe termieten zich vastgeklampt hebben aan het takje.
‘Bek open,’ zegt Finn en als ik zeg: ‘dicht’ moet je je lippen om het takje klemmen. Dan blijven de termieten in je bek hangen.’
Op korte afstand gaat ze zitten en kijkt, net als Finn, naar de heuvel van blad en tak. Seconden worden minuten en minuten worden een kwartier. Het kleine ding begint haar geduld te verliezen en loopt voorzichtig naar haar soortgenoot. Wat zie je, Finn?’ vraagt ze. ‘Ik zie alleen maar zand en grassprietjes. Ben je ziek?’
Finn kijkt naar het kleintje en wenkt Lily dichterbij. ‘Nee hoor, ik ben niet ziek. Kom eens dichterbij, dan zal ik je wat laten zien. Je weet wat termieten zijn, hè?’
‘Ja, die zijn lekker!’ knikt Lily bij haar eenvoudige antwoord.
‘Dit is het huis van de termieten,’ legt Finn uit. ‘Kijk maar goed. Je zult zien dat er termieten inkruipen.’
Nu ze erop gewezen is, ziet Lily ook de termieten die verdwijnen in de heuvel.
‘Kijk goed wat ik doe, dan mag je het straks ook eens proberen.’ Finn pakt een lange tak knabbelt de blaadjes eraf, en priemt de kale tak in de heuvel. Hij draait hem rond en trekt hem er langzaam weer uit.
Lily kijkt verwonderd als ze ziet hoe termieten zich vastgeklampt hebben aan het takje.
‘Bek open,’ zegt Finn en als ik zeg: ‘dicht’ moet je je lippen om het takje klemmen. Dan blijven de termieten in je bek hangen.’
Inmiddels zijn enkele groepsleden ook aangesloten. Zij volgen de uitleg van
Finn en zien het succes wat hij met zijn uitvinding heeft bereikt. Dat willen
ze ook wel. Verwoed prikken ze ook met takjes in de heuvel, maar zonder
resultaat.
Finn kijkt geamuseerd toe. ‘Jullie zijn veel te wild. Dit vraagt precisie. Jullie moeten mij nabootsen, dan leer je het vanzelf. Het vraagt ook geduld, maar je ziet wat je ermee bereikt.’
‘Hm, nabootsen. Waarom zo’n duur woord?’ imiteert de grootste druktemaker hem.
‘Tja,’ antwoordt Finn, en haalt vervolgens rustig een takje met termieten tussen zin lippen door. ‘Ik kan toch moeilijk zeggen: na-apen? Jullie zijn al apen.’
Finn kijkt geamuseerd toe. ‘Jullie zijn veel te wild. Dit vraagt precisie. Jullie moeten mij nabootsen, dan leer je het vanzelf. Het vraagt ook geduld, maar je ziet wat je ermee bereikt.’
‘Hm, nabootsen. Waarom zo’n duur woord?’ imiteert de grootste druktemaker hem.
‘Tja,’ antwoordt Finn, en haalt vervolgens rustig een takje met termieten tussen zin lippen door. ‘Ik kan toch moeilijk zeggen: na-apen? Jullie zijn al apen.’
©Vera Oor, 2026