Het komt goed voor het wasgoed

 
‘Bel 112.’
Er heerst paniek. Iedereen roept door elkaar en duwt zich een weg naar boven.
‘Dat geldt voor mensen, maar niet voor ons.’
‘Hij gaat dood. Kijk, hij begint al geel te zien. Bellen!’
Uiteindelijk weet een handigerd zich tussen de rest uit te wringen en belt de hulpdiensten.
‘Ze weigeren voor ons te komen. Doen ze alleen voor mensen, zeggen ze.’
‘Dat zei ik je toch. We moeten nu zelf aan de slag.’
Intussen begint een wit hemd, dat onder in de wasmand ligt, steeds geler te zien. Een stugge spijkerbroek trekt zich het lot van het hemd aan. Hij stapt uit de mand van de bonte was en schopt met zijn lange benen enkele kledingstukken uit de mand voor wit goed.
Hoe verder hij doordringt in de stapel wasgoed, hoe indringender de lucht.
‘Geen wonder, dat hij geen lucht krijgt. Het is hier niet te harden. Hoe lang liggen jullie hier al?’
Een van de witte onderbroeken zucht diep. ‘Elke maandag worden we gewassen,  maar het is nu al bijna twee weken verder. De laatste lading wasgoed vertelde, dat ons mens naar een ziekenhuis is.’
Hij zucht nogmaals. ‘Ik verheugde me altijd op de warmte in de wasmachine maar nu liggen we hier koud en vochtig te wachten. Wat je ruikt is de lucht van urine en de reden dat het hemd geel kleurt, is omdat die urine uit de onderbroeken zich overal doorheen dringt.’
Uiteindelijk redden ze het hemd uit zijn benauwende omgeving en spreiden hem uit op de vloer. Hij komt bij.
 
De spijkerbroek overziet de situatie in de twee naast elkaar staande manden met de opdrukken Witte was en Bonte was. ‘Dan moeten we zelf onze handen uit de mouwen en de benen uit de pijpen steken,’ zegt hij. ‘Het wasmiddel weet ik te staan. Vroeger wasten ze zonder machine, dus dat gaan wij ook doen.’
Nieuwsgierig kijken alle kledingstukken elkaar aan. Hoe ziet de spijkerbroek dat voor zich?
Met in de achterzak het wasmiddel, stapt de spijkerbroek naar buiten. ‘Kom op, volg me.’
Een bizarre stoet loopt achter hem aan. Shirts en overhemden lopen in handstand mee; sokken maken hink-stap-sprongen; handdoeken rollen zich op en rollen erachteraan, gevolgd door ondergoed en lange broeken die steunen op de onderkant van hun pijpen; lakens halen ingewikkelde toeren uit om hun punten aan elkaar vast te knopen; als sluitstuk volgen zakdoeken en washandjes het voorbeeld van de lakens. Zij kronkelen als een lange slang mee in de optocht.
Aan de rand van het grasveld staat een handpomp met een enkele emmers. Een stoere trui rolt zijn mouwen op en zwengelt het heldere water op, totdat de emmer gevuld is. Het geroezemoes onder het wasgoed neemt toe, iedereen verheugt zich op een frisse wasbeurt.
‘Eerst de witte was, dan kan de rest daarna,’ stelt een overhemd voor.
‘Maar wij gaan niet in het sop liggen van die onderbroeken,’ roept een sok.
‘De bonte was krijgt een emmer schoon water natuurlijk. Niet zeuren,’ krijgt de sok een sneer van een laken.
De witte was spartelt en spettert naar hartenlust in het sop, totdat het sop uiteindelijk doodslaat. Een voor een springen de kledingstukken, handdoeken, lakens etc. over naar een volgende emmer, met schoon water voor de spoelbeurt.
Ze lopen druipend naar het lonkende groene gras, waar de spijkerbroek klaarstaat om aanwijzingen te geven. ‘Vroeger spreidden ze de was uit op het grasveld, om te bleken. Dat wordt voor jullie hoog tijd,’ zegt de spijkerbroek met een knipoog naar de onderbroeken. Probeer jezelf zo goed als mogelijk uit te wringen en help elkaar daarbij. Daarna kunnen jullie in de zon bijkomen.’
Nu is het de beurt van het bonte wasgoed, dat eenzelfde estafette loopt en zich genoeglijk uitstrekt naast de witte was op het grasveld.
‘Allemaal goed oprekken, hoor, anders droog je op in kreukels en we zijn nog niet zover dat we onszelf kunnen strijken,’ zegt een houthakkersblouse, voordat die zichzelf ook achterover laat vallen in het gras.

Beschermend blad

Waarom zou ik langer blijven liggen. Eruit! Vannacht heb ik de ramen wagenwijd open gehouden en de heldere zomerochtendlucht drijft de kamer...