Kota Radja

 

Ik rijd nu naar de Chinees en bestel een, of meer, van de keuzegerechten om mee naar huis te nemen. Twee standaardvragen krijg ik dan altijd: sambal bij? en nasi, bami of witte rijst?

In de zestiger jaren was eten halen bij de Chinees een ongekende luxe, wat zelden gedaan werd. Maar dan werd het wel tegelijkertijd een uitstapje en een feest.

Achter op de bagagedrager van de fiets van mijn vader kon een metalen rekje omhoog geklapt worden. Dit diende als ruggensteuntje om te voorkomen dat het kind dat achterop zat, van de fiets zou vallen. Een plastic kussentje voorkwam diepe geulen in de beentjes en billetjes. Het zorgde ervoor dat het zitten iets aangenamer werd, behalve bij heel warm weer. Dan plakte je met billen en beentjes vast aan dat plastic.

Zondag ging het gebeuren: mijn vader zette mij achterop de fiets en stapte zelf op. Op het moment dat ik dit schrijf vraag ik me af hoe hij dat voor elkaar kreeg om zijn been over de stang heen te slingeren zonder mij uit het stoeltje te lanceren. Mmm, moet ik nog eens achter zien te komen.

Ik hield mijn vaders jas aan weerszijden stevig vast en daar gingen we richting het centrum waar we na ongeveer een kwartier aankwamen bij het Chinees/Indisch restaurant met mooie gouden tekens op de ramen. Het verlichte uithangbord liet de Nederlandse letters Kota Radja zien.

De standaardbestelling was Nasi Goreng speciaal. De r probeerde hij dan zodanig te laten rollen dat de Chinees-Indonesische mijnheer kon horen dat hij wel wat Indonesisch sprak. Er werden pogingen gedaan om meer zinnen in het Indonesisch te poekelen, zoals mijn vader het noemde. Tijdens zijn verplichte diensttijd in IndonesiĆ« kwam hij als chauffeur op veel plekken en in de kampongs ging hij graag bij de ‘inlanders’ op bezoek. De ‘blanda’ kende heel wat families en was zelfs wel eens bij de ouders van, de toen nog kleine, Wieteke van Dort geweest. In zijn dagelijks taalgebruik waren Indonesische woorden voor ons gewoon geworden. Pisang in plaats van  banaan en  klapper in plaats van kokosnoot. Een dienstmaat van hem uit Amsterdam, ome Herman, poekelde mee als we  wel eens in Amsterdam op bezoek gingen. Die was wars van afhaalchinees en stond een hele middag in de keuken om zelf een grote pan nasi te maken, kroepoek in het vet te bakken en de rode pepertjes om te toveren tot sambal. Dat ome Herman nog geen vuur spuwde was bewonderenswaardig, gezien de enorme hoeveelheden sambal die hij door zijn eigen bord nasi roerde.

Terug naar Kota Radja waar ik tijdens het wachten geen genoeg kon krijgen van het rode fluweelachtige behang met de gouden bloemen, de glimmende  houten balie en de  mooie hanglampen.  De nasi werd zorgvuldig in kranten gewikkeld en  het pakketje ging mee op de fiets, tussen mijn vader en mij in. Nasi was in die jaren geen bijgerecht maar een, en het enige, hoofdgerecht dat mee naar huis ging.


©Vera Oor, 2024

Beschermend blad

Waarom zou ik langer blijven liggen. Eruit! Vannacht heb ik de ramen wagenwijd open gehouden en de heldere zomerochtendlucht drijft de kamer...