"De Schommel", mijn derde boek. Inkijk in voorwoord en proloog

In mei 2025 is mijn derde boek uitgekomen: "De Schommel".





Voorwoord

Hoe vaak hoorde ik om me heen: ‘Dit had ik weleens willen weten of vragen. Maar dat kan nu niet meer.’
Mijn moeder had enkele pagina’s met jeugdherinneringen geschreven. Ze vertelde me weleens in wat voor een warm gezin ze was opgegroeid, welke scholen ze had bezocht en hoe ze de opening van de Waalbrug meegemaakt had. Er was veel wat ze niet had verteld of waar ik, achteraf gezien, te weinig aandacht aan heb besteed. Waarom heb ik nooit doorgevraagd? Wat deed dit alles met haar in die tijd? Hoe ervaarde ze als jong meisje de oorlog? Hoe vond zij het om in Nijmegen te wonen? Hoe vierde ze Sinterklaas of Kerst?

Er speelden meer vragen op in februari 2024. Ik woonde toen de herdenking van het bombardement op Nijmegen bij. Lichtherinneringen werden op gebouwen geprojecteerd. Ik stond onderaan de Stevenstoren en hoorde het gebulder van de vliegtuigen boven me, vergezeld van het geloei van luchtalarm en het luiden van de kerkklokken.

De vrije tijd die ik kreeg door mijn vroegpensioen in 2023, heb ik ten volle uitgebuit om van de hoge duikplank het verleden in te duiken: het verleden van mijn moeder. De vergeelde pagina’s met haar herinneringen zijn voor mij het uitgangspunt geweest om me te verdiepen in het tijdsbeeld van toen in Nijmegen.
In een paar zinnen schreef ze over een dag in 1932: “Op vierjarige leeftijd kreeg ik een speelgoedhondje op de kermis…”.
Ik wilde deze herinnering in een verhaal verweven, in een hoofdstuk. Hoe zag een kermis eruit, was die op loopafstand van haar huis, hoe oud waren haar broers en zus toen en welke kleding droeg ze? Allemaal vragen rondom die paar zinnen. Het werd bijna een verslaving voor me om steeds meer uit te pluizen. Ik dook archieven in, vlooide het internet uit, ik heb interviews geluisterd, boeken gelezen en lezingen bezocht. Meerdere locaties in Nijmegen heb ik bekeken. Hoe meer ik over die tijd las en over het Nijmegen van toen, hoe meer ik me kon inleven in de belevingswereld van een kind in die tijd.
Zo ontstonden de verhalen waarin ik fictie combineerde met geschiedenis en een stuk levensgeschiedenis. De namen van Tonny en haar familieleden komen overeen met de werkelijke personen, overige namen heb ik om privacyredenen aangepast.

In welke vorm wilde ik dit alles gieten? Al snel wist ik dat ik in 1932 zou starten en wilde eindigen bij het bombardement in 1944. Daarnaast vond ik het belangrijk om een link te leggen tussen heden en verleden.
Een kennismaking bij het monument “De Schommel” was een optie. Een ontmoeting met mijn moeder? Dit was natuurlijk niet mogelijk; zij was er niet meer. Bovendien vond ik het ook een vreemd idee om te doen alsof ik degene was aan wie ze haar levensverhaal vertelde.
De ik-figuur in de Proloog gaat het gesprek aan met een vrouw, Tonny, die ze ontmoet bij het monument. In wat Tonny vertelt, zijn enkele herinneringen van mijn moeder verwerkt.
 
Wat begon als een verhaal voor mezelf, groeide uit tot een boek.
Nadat ik enkele mensen had gevraagd om proeflezer te zijn van (een deel van de) hoofdstukken, bleek dat de verhalen gewaardeerd werden. Mensen van mijn leeftijd, of jonger, kwamen hierdoor meer te weten over het tijdsbeeld in de periode waarin hun moeder of oma jong was geweest. Anderen lazen feiten over wat er in Nijmegen gebeurde in crisistijd en tijdens de oorlog. Overlevenden van het bombardement gaven aan dat de beschrijvingen van deze periode herkenning opriepen en hen raakten.
De mooiste complimenten die ik heb gekregen: “Ik kan overal uit opmaken, dat je je echt verdiept hebt in de hele geschiedenis”, en “Het lijkt wel of je er zelf bij bent geweest”.

Tegenwoordig kijk ik op een andere manier naar Nijmegen. Ik herken straatnamen waarvan ik voorheen het bestaan niet eens wist, ik zie gevels, ik kom op locaties die ooit (anders) bebouwd waren. De intensiteit waarmee ik alles heb uitgeplozen, leidt er af en toe wel toe dat ik me moet realiseren dat ik niet als een kind van toen door Nijmegen loop, maar als mezelf.

Proloog
Onder de overhangende takken van een van de kastanjebomen zit de bejaarde, broos uitziende dame, wat verloren op haar rollator met de rug naar het winkelend publiek. Ze trekt mijn aandacht.
‘Mevrouw? Gaat het goed met u?’ vraag ik. 
Ik ga naast haar staan en kijk opzij naar het smalle, bleke gezicht. Een grijs plukje haar piept onder de rand van de gebreide muts uit. Haar verkleumde handen houdt ze in elkaar geklemd in haar schoot. Ze wordt zich bewust van mijn aanwezigheid en kijkt me aan met haar grijsblauwe ogen.
‘Dag,’ zegt ze aarzelend en zoekt in haar jaszak naar een zakdoek. Ze snuit haar neus en veegt steels een traan weg. ‘Ja, het gaat wel hoor. Dank u wel.’
Ik besluit nog even te blijven.
'Bent u hier voor het monument?’ vraag ik en werp een blik op het kunstwerk. Het staat in het midden van een verhoogd ovaalvormig grasperk, omzoomd door een laag, ijzeren hekwerk.
‘Ja, De Schommel,’ antwoordt ze zacht.
Ik ken het verhaal dat ten grondslag ligt aan dit monument: opgericht ter nagedachtenis aan bijna 800 burgerslachtoffers. Slachtoffers van het oorlogsgeweld in WOII. Op 22 februari 1944 zijn zij gesneuveld bij een bombardement op het centrum van Nijmegen. Op deze locatie lag de speelplaats van een kleuterschool waarvan vierentwintig leerlingen en acht nonnen zijn omgekomen. Het kunstwerk is een metershoge, ijzeren schommel, hangend aan kettingen. De schommel hangt stil.
‘Heeft u het meegemaakt, het bombardement?’
‘Ja. Ik was vijftien jaar. Het komt steeds vaker in mijn herinnering: de mensen die het niet overleefd hebben en die niet de kans hebben gehad oud te worden.’
Even lijkt het alsof de vrouw zich terugtrekt in zichzelf. Ze kijkt me belangstellend aan. ‘Jij bent nog jong, die oorlog heb je niet meegemaakt. Wees er maar dankbaar voor.’
Ik knik. ‘Ik heb er veel over gehoord van mijn overleden ouders.’
Ik wil nog geen afscheid nemen. Ik stel me aan haar voor en vraag: ‘U moet inmiddels door en door koud zijn geworden. Mag ik u iets warms te drinken aanbieden, koffie of zo?
‘Ik ben Tonny. Wat aardig, heel graag. Ja, ik ben koud geworden.’
Ik pak haar uitgestoken hand aan. ‘Hier dichtbij is een kleine gelegenheid, waar het op dit moment van de dag altijd rustig is.’
Tonny loopt naast me, een hoofd kleiner dan ik. Ik pas mijn stappen aan en samen lopen we naar een oud café.

De behaaglijke warmte verwelkomt ons bij binnenkomst. Achterin is één tafeltje bezet door een jong stel, de overige zes tafeltjes zijn vrij. We trekken onze jas uit en hangen die op. Vrijwel op hetzelfde moment duwen we onze handen in het haar, om het terug in model te brengen: Tonny grijs, dun haar en ik een bos donkere krullen die zich moeilijk laat bedwingen. We kijken elkaar glimlachend aan en nemen plaats aan een tafeltje bij het raam.
Nadat we koffie besteld hebben, zeg ik: ‘Ik ben geïnteresseerd in deze periode van de historie van Nijmegen en heb er al veel over gelezen. Verhalen uit en over die tijd wil ik graag horen. Ik wil meer te weten komen over de periode dat mijn moeder een kind was. Zij heeft de oorlog en het bombardement op Nijmegen meegemaakt en ik denk dat ze ongeveer dezelfde leeftijd had als u in die tijd. Ze heeft erover verteld, maar nu realiseer ik me pas hoe weinig ik eigenlijk weet over haar leven toen. Ik kan het niet meer vragen. Zij is enkele jaren geleden overleden.’
Tonny luistert aandachtig en uit haar ogen straalt begrip, waar ik me aan warm.
‘Bestond er maar zoiets als een tijdmachine, waarmee ik zo nu dan naar mijn moeders jeugd kon reizen,’ zeg ik, ‘maar die mogelijkheid ligt nog ver weg.’
Tonny aarzelt. ‘Als het jou kan helpen,’ zegt ze, ‘wil ik wel proberen om je wat te vertellen over mijn jeugd. Die is uiteraard niet hetzelfde als die van je moeder, maar er zullen zeker overeenkomsten zijn. Ik ben geboren in Nijmegen in 1928.’
'Mijn moeder ook,’ zeg ik.

Tonny is een moment stil en zegt dan: ‘Ik heb mijn kinderen weleens wat verteld, maar niet alles. Ik heb niets verteld over de angst die ik heb doorstaan tijdens de oorlog, niet alles over de druk die het geloof me oplegde en niets over de zwaarmoedigheid van mijn moeder.’
Het aanbod van deze wildvreemde vrouw raakt me. Tegelijkertijd lijkt ze me zo vertrouwd, alsof het mijn eigen moeder is. Een kort moment sluit ik mijn ogen, denkend aan mijn ouders.
We houden elkaars handen vast wanneer we aan de tijdreis beginnen, terug naar de jaren uit Tonny’s jeugd, die zo zorgeloos begon en gaandeweg vertroebelde door de oorlog.

 

Beschermend blad

Waarom zou ik langer blijven liggen. Eruit! Vannacht heb ik de ramen wagenwijd open gehouden en de heldere zomerochtendlucht drijft de kamer...