Op een boerderij in Brabant woonde in een grote, roodbruine, aardewerken pot een kaboutergezin.
Dankzij gezamenlijke inspanningen van
alle omringende kabouters hadden zij deze pot naar een hoek achter de
composthoop gesleept, buiten het zicht van het boerengezin. Van achtergebleven
strootjes op het land hadden ze baaltjes gebonden. Ze gebruikten die als
stoelen, een stuk hout diende als tafel. Een theepot van een kinderservies dat
in een afvalcontainer terecht was gekomen, hadden ze omgetoverd tot fornuis. De
rook van gesprokkelde houtjes ontsnapte door de tuit in kringelende, witte
pluimpjes. Van een, door de boer verloren, geblokte rood-witte boerenzakdoek
had moeder gordijnen gemaakt als afscheiding naar de aangrenzende bloempot waar
het kaboutergezin de slaapkamer had ingericht. Het geurende hooi, dat ze
verzameld hadden bij de hooimijt op het erf gaf een bedwelmende lucht af
waarbij de kabouters hun dagrust namen.
Nachtrsut was er natuurlijk niet bij,
van zonsondergang tot zonsopgang werkte de hele kabouterfamilie op het land. Ze
hielpen het boerengezin bij het zaaien en onderhoud van de grote moestuin. Het
was ze altijd gelukt om niet gezien te worden door de mensen.
Dat ze niet gezien werden, betekende
niet dat de mensen niet wisten dat ze er waren. De boeren waren opgegroeid met
de wetenschap dat ze al generaties lang geholpen werden door kleine,
onzichtbare wezentjes. De boerin verzorgde dagelijks een klein pakket met
levensmiddelen en zette het klaar in de schuur.
Aan de waslijn hing een stuk witte
vitrage te drogen. Een heuse kabouterbruiloft stond op stapel. De kleine Nellie was ten huwelijk gevraagd door stadskabouter Chris. Nellie was handig met naald
en draad en maakte van de vitrage een prachtig bruidskleed.
De nacht van de bruiloft kreeg het
boerengezin geen hulp van de kabouters. Die vierden feest en zwaaiden Chris en
Nellie uit toen die na afloop vertrokken in een uitgeholde paddenstoel op
wielen, voortgetrokken werd door een konijn.
Nellie moest wel wennen in haar nieuwe
omgeving. Niet meer wonen in een bloempot, maar in een poppenhuis, helemaal
ingericht zoals dat ook bij de mensen gebeurde. Er was geen moestuin die ze bij
moest houden, maar Nellie had nu haar eigen tuin.
Hun huis stond dicht bij een
dokterspost, waar Nellie vol belangstelling de gebeurtenissen volgde en heel
wat verpleegkundige handelingen leerde. Chris was als tekenkabouter werkzaam
voor het dagelijkse sprookjesblad. Die tekenkwaliteiten benutte hij ook in zijn
vrije tijd volop.
Hij had een muizeningang ontdekt naar
de bibliotheek, waar hij vol belangstelling de werken bekeek van een ware
(mensen)kunstenaar op het gebied van sprookjesachtige tekeningen: Anton Pieck
Gaandeweg ontwikkelde hij een
tekenstijl, die graag bekeken werd door menig buurtkabouter en ver daarbuiten.
Hij verzamelde boeken waar hij nog meer inspiratie uit kon halen. Een daarvan
was het boek “de Elfen”. Vol belangstelling bekeek hij de geschiedenis van de
elfen, die immers ook tot de sprookjeswereld behoorden, net zoals zijn volk, de
kabouters.
Nellie had de handen vol aan hun
kinderen en daarnaast bezocht ze hulpbehoevende kabouters om hen te helpen waar
ze kon. Zij en Chris leidden een bescheiden leven, zoals het kabouters betaamt.
Zelfs kabouters hebben niet het
eeuwige leven, ook al wordt wel eens anders beweerd. Na het overlijden van
tekenkabouter Chris bleef Nellie in hun poppenhuis wonen. De kinderen hadden
een eigen poppenhuis, bloempot of woonden in een paddenstoel.
De verzorgende handen van Nellie leken
wel de klachten overgenomen te hebben van zieken die zij regelmatig bezocht en
hielp. Haar handen hadden nu zelf hulp nodig.
Kabouters accepteren niet zomaar hulp,
dat zijn ze niet gewend. Ze probeerde er het beste van te maken met wat ze nog
wél kon. Als rasechte dochter van een boerenkabouter genoot ze van bloemen en
ze trok erop uit om te zorgen voor verse bloemen op tafel. Die haalde ze uit
het bos, maar ook uit de tuinen bij mensen, waar kabouters een plekje hadden
veroverd.
Zo ook de dag, dat ze een vers geplukt
boeket veldbloemen schikte in de vaas. Grassen, klaver, klaprozen, margrieten
en dit keer ook enkele primulabloemen. Wat Nellie niet wist was dat primula’s
ook wel sleutelbloemen genoemd worden, gebaseerd op een legende: Petrus, bij de hemelpoort, viel langzaam in slaap en daarbij
gleed zijn sleutelbos met gouden sleutels uit de handen. Die viel op de aarde
neer. Petrus haalde de sleutelbos terug, maar op de plek op aarde groeide een
plant met trossen goudgele bloemen: de sleutelbloem.
Nellie’s handen werden als vanzelf naar een van de
sleutelbloemen getrokken die zich hechtte aan haar hand. Alle pogingen ten
spijt lukte het haar niet om de bloem van haar hand te verwijderen.
Totdat…haar oog viel op het sleutelgat van een huis tegenover
haar eigen poppenhuis. Dat gat had dezelfde vorm als de bloem aan haar hand. Na
enig twijfelen besloot ze te proberen of de sleutelbloem in het gast paste en
ja…dat lukte.
Kabouter Nellie geloofde als rechtgeaarde kabouter uiteraard in
sprookjes en raadselachtige aanwijzingen en zij betrad het leegstaande huis,
dat haar verwelkomde. De muren riepen: ‘Kom hier wonen,’ de ramen lieten haar
een mooi uitzicht zien en heerlijke geuren stegen op om haar uit te nodigen
voor het eten.
Ze besloot de stap te wagen en gebruikte vanaf dat moment de
sleutelbloem om haar nieuwe woning binnen te komen. Het voelde goed, maar,
vroeg ze zich af, hoe moet het nu met alle spulletjes in mijn oude poppenhuis?
Och jee, en het boek “De Elfen”, dat moest in ieder geval een
goede bestemming krijgen.
Weer gebeurt er niks zonder reden in sprookjesland. De kinderen
hadden het boek cadeau gedaan aan een sprookjesliefhebber, waar het in een
boekenkast kwam te staan, naast “De Kabouter” van Rien Poortvliet.
Ze leefde nog tevreden in haar woning met de
sleutelbloemsleutel. Ooit zou ze die aan Petrus overhandigen om binnen te komen
en zou ze tekenkabouter Chris weer te omhelzen.
Inmiddels weet ik, als erfgenaam van “de Elfen” dat ze haar
sleutel overhandigd heeft aan Petrus.